Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 7 mei 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
allezich onder hem bevindende documenten, zowel fysiek als digitaal, betreffende de
eventuelestrafrechtelijke vervolging van [A] vanwege zijn ‘minder Marokkanen’-uitspraak in 2014, maar mag zich daarbij wel beperken tot documenten uit de periode van 19 maart 2014 tot 18 december 2014. Verweerder moet eventuele omgevingsdocumenten ook bij zijn zoekslag betrekken. Voor zover bij het Wob-besluit van 1 december 2016 (op het verzoek van KRO-NCRV) de openbaarmaking van documenten die ook onder de reikwijdte van het huidige Wob-verzoek vallen is geweigerd, hoeft verweerder daarover niet opnieuw te beslissen. Voor zover het onderhavige Wob-verzoek breder is geformuleerd dan dat van 2016, moet dat bredere verzoek door verweerder wel worden meegenomen. Zo nodig dient verweerder het verzoek bovendien door te zenden aan het OM, op grond van artikel 4 van Pro de Wob.
Omvang beroep
afvraagtof (en zo ja, wanneer) de mogelijke strafvervolging van [A] in de ministerraad is besproken. Dat is onvoldoende om aannemelijk te achten dat dit daadwerkelijk is gebeurd en dat daarvan vervolgens ook documenten zouden bestaan. Dat geldt ook voor de notulen van vergaderingen van het College, die volgens eiseres onder verweerder behoren te berusten. Eiseres leidt uit de primaire beslissing van het OM af dat er contact en afstemming is geweest tussen het parket Den Haag en procureurs-generaal dan wel het College voorafgaand aan de vervolgingsbeslissing, maar dit is onvoldoende concreet om aannemelijk te achten dat er ter zake ook documenten zouden bestaan die onder de reikwijdte van het verzoek vallen en openbaar gemaakt zouden kunnen en/of moeten worden. Verweerder heeft in dit verband toegelicht dat deze notulen in de praktijk niet aan hem worden verstrekt en dat ze ook niet zijn aangetroffen in de zoekslag. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen de bestreden besluiten 1 en 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit 3 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit 3 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- herroept het primaire besluit van 23 augustus 2018 en bepaalt dat de 475 documenten alsnog openbaar worden gemaakt, met uitzondering van de namen van de ambtenaren en andere bestuurlijke aangelegenheden, zoals hiervoor in r.o. 25 is overwogen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.837,50,-.