Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2020 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
ondergebrachte stamrecht.
19 december 2018 feitelijk de beschikking heeft gekregen over een bedrag van € 44.461,30, dat [de man] had overgemaakt in verband met haar aanspraak op een onverdeeld onderdeel van de huwelijksgoederengemeenschap. Dit betekent dat er vanaf dat moment sprake was van in aanmerking te nemen middelen in de vorm van vermogen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw. Volgens verweerder bestond de hiervoor genoemde aanspraak bij de aanvang van de bijstandsverlening aan eiseres op 3 januari 2005. Eiseres heeft niet gemeld dat [de man] op 19 december 2018 meergenoemd bedrag heeft overgemaakt. De grondslag om het recht op bijstand te herzien en de bijstand van eiseres terug te vorderen is volgens verweerder artikel 17, eerste lid, van de Pw (schending inlichtingenplicht) en artikel 54, derde lid, van de Pw.
Kon eiseres op 19 december 2018 feitelijk beschikken over het bedrag van € 44.461,30? Ja.
€ 44.461,30 kon beschikken en dat zij dit ook niet voor haar levensonderhoud heeft kunnen aanwenden. Daarbij acht eiseres van belang dat het bedrag niet naar haar bankrekening, maar naar de derdenrekening van het advocatenkantoor van haar gemachtigde is overgemaakt.
€ 44.461,30 terug te storten op de bankrekening van [de man] . Juist doordat eiseres de opdracht heeft gegeven om dat bedrag niet naar haar bankrekening over te maken, maar aan [de man] terug te storten, heeft zij feitelijk beschikt over het bedrag van € 44.461,30. Dat eiseres dit op advies van haar advocaat en een pensioendeskundige heeft gedaan, maakt dat niet anders. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de CRvB van
5 maart 2019 [2] waarin een soortgelijke situatie aan de orde was. De beroepsgrond slaagt niet.
€ 2.100,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte reiskosten van € 14,40, zijnde de reiskosten op basis van openbaar vervoer, 2e klas.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
periode van 3 januari 2005 tot en met 2012 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de