Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
I. 28 juli 2015 tot en met 30 november 2016,
II. 1 december 2016 tot en met 30 september 2018, en
III. 1 oktober 2018 tot en met 30 juli 2020.
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser stelde beroep in tegen het besluit van het college om zijn bijstandsuitkering te herzien en terug te vorderen wegens vermeende schending van de inlichtingenplicht. Het college had een bedrag van ruim € 50.000,- teruggevorderd, gebaseerd op onderzoek van de sociale recherche.
De rechtbank beoordeelde drie geschilperioden en oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door ontvangen gelden niet te melden. Echter, het college had het besluit over de eerste periode (28 juli 2015 tot en met 30 november 2016) onvoldoende gemotiveerd, met name over de verrekening van terugbetalingen. Dit motiveringsgebrek leidde tot vernietiging van het besluit voor die periode en de gehele terugvordering.
De rechtbank bepaalde dat de terugbetaling van € 700,- aan mevrouw A verrekend moest worden met de ontvangen € 750,-, waardoor het herziene recht op bijstand hoger uitvalt. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen en veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Voor de overige periodes oordeelde de rechtbank dat de door eiser gestelde giften en terugbetalingen onvoldoende waren onderbouwd en dat het college het herziene recht op bijstand terecht had vastgesteld. Het beroep werd daarom slechts gedeeltelijk gegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is deels gegrond verklaard en het besluit over de periode 28 juli 2015 tot en met 30 november 2016 vernietigd wegens motiveringsgebrek.