Appellant ontving bijstand en het college trok deze in en herzag deze over diverse periodes vanwege vermeende activiteiten met hennep en autohandel, en vorderde terugbetaling van € 11.037,60.
De Raad oordeelt dat appellant wel betrokken was bij het drogen van hennep op een ander adres in februari 2018, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt, maar dat het college onvoldoende bewijs leverde voor betrokkenheid bij de hennepkwekerij op adres 1 in de periode 5 december 2017 tot en met 31 januari 2018. De intrekking van bijstand over deze periode wordt daarom vernietigd.
Verder werd de bijstand terecht herzien over andere perioden vanwege niet gemelde stortingen op bankrekeningen. De Raad verlaagt het terugvorderingsbedrag tot € 8.675,22 en veroordeelt het college in de proceskosten van appellant. Het college moet het betaalde griffierecht terugbetalen.