Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2025 in de zaak tussen
Aldi [plaats] B.V., uit [plaats] (eiser-1), en
[bedrijf] B.V. uit [vestigingsplaats] (derde-belanghebbende)
Rechtbank Midden-Nederland
Aldi diende een aanvraag in voor de vergroting van een supermarkt, welke aanvankelijk werd afgewezen. Een tweede aanvraag leidde tot een vergunning van rechtswege, die door het college werd herroepen en alsnog geweigerd op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat het bouwplan in essentie gelijk was aan de eerdere aanvraag en geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De rechtbank oordeelde dat eisers procesbelang hadden en dat alleen het beroep van Aldi ontvankelijk was. Het college had niet in strijd met artikel 7:11 Awb Pro gehandeld door op andere gronden te besluiten dan in bezwaar aangevoerd. De rechtbank bevestigde dat artikel 4:6 Awb Pro ook in bezwaar toegepast kan worden, ondanks de beperkingen van artikel 7:14 Awb Pro.
De rechtbank vond dat het bouwplan inderdaad een herhaalde aanvraag betrof en dat het college terecht de vergunning herroepen en geweigerd had. De stelling dat toepassing van artikel 4:6 Awb Pro evident onredelijk zou zijn, werd verworpen. Het beroep van Aldi werd ongegrond verklaard en dat van het bouwkundig adviesbureau niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep van Aldi is ongegrond verklaard en de vergunning van rechtswege terecht herroepen en geweigerd.