In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak. Eiseres, een B.V. uit [plaats], had bezwaar aangetekend tegen de beschikking van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], die de waarde van de onroerende zaak had vastgesteld op € 323.000,- per 1 januari 2022. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft het beroep van eiseres kennelijk ongegrond verklaard, omdat de ingediende beroepschriften en pinpointbrieven geen specifieke argumenten bevatten die de waardevaststelling betwisten. Eiseres had ook verzocht om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees dit verzoek af. De uitspraak benadrukt het belang van concrete en specifieke beroepsgronden in belastingzaken en de rol van de rechtbank in het beoordelen van de aangevoerde argumenten.