In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente]. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de waardes van diverse onroerende zaken die door de heffingsambtenaar waren vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar had in een beschikking van 31 januari 2024 de waardes vastgesteld, maar eiseres ging hiertegen in bezwaar. De uitspraak op bezwaar van 4 juli 2024 verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiseres beroep instelde.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld. Eiseres had geen concrete beroepsgronden ingediend, waardoor de rechtbank geen aanleiding zag om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde waardes. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst van het geschil. Eiseres had in haar beroepschrift en andere correspondentie geen specifieke gronden aangedragen die de waardevaststelling konden betwisten.
De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en wees ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier mr. D. Burggraaf, en werd openbaar uitgesproken op 23 december 2025.