In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de gemeente [plaats]. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen de waardevaststelling van diverse onroerende zaken voor het belastingjaar 2024, vastgesteld op 30 april 2024. De heffingsambtenaar had de WOZ-waardes van de onroerende zaken vastgesteld op € 476.000,-, € 400.000,-, € 1.020.000,-, € 486.000,- en € 324.000,-. Eiseres ging in beroep nadat haar bezwaar ongegrond was verklaard. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld, omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft de zaak zonder zitting afgedaan op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst van het geschil. Eiseres had in haar beroepschrift en daaropvolgende correspondentie geen specifieke argumenten aangedragen die de waardevaststelling konden betwisten. De rechtbank concludeerde dat het beroep kennelijk ongegrond was en wees ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier mr. D. Burggraaf.