ECLI:NL:RBMNE:2025:6947

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
UTR 25/49, UTR 25/4779, UTR 25/4781 t/m UTR 25/4786, UTR 25/4788 t/m 25/4797, UTR 25/4799 t/m 25/4816 & 25/6657
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de WOZ-waarde van onroerende zaken en de afwijzing van het beroep wegens gebrek aan concrete beroepsgronden

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente]. De heffingsambtenaar had op 31 maart 2024 de waarde van diverse onroerende zaken vastgesteld op basis van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) voor het belastingjaar 2023, met als waardepeildatum 1 januari 2022. Eiseres ging tegen deze beschikking in bezwaar, maar de heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond in de uitspraak op bezwaar van 27 december 2024. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend en dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waardes niet te hoog waren vastgesteld. De rechtbank deed uitspraak zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank concludeerde dat er geen aanknopingspunten waren om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde waardes en wees het verzoek om schadevergoeding af, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak werd gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, in aanwezigheid van griffier mr. D. Burggraaf.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/49, UTR 25/4779, UTR 25/4781 t/m UTR 25/4786, UTR 25/4788 t/m 25/4797, UTR 25/4799 t/m 25/4816 & 25/6657

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar.

(gemachtigde: J.M. Wormer)

Inleiding

1. In de beschikking van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van diverse onroerende zaken in [plaats] voor het belastingjaar 2023 naar de waardepeildatum 1 januari 2022 als volgt vastgesteld:
Zaaknummer
Object
Vastgestelde waarde
UTR 25/49
[adres 1]
€ 2.873.000,-
UTR 25/4779
[adres 2]
€ 572.000,-
UTR 25/4781
[adres 3]
€ 1.145.000,-
UTR 25/4782
[adres 4]
€ 307.000,-
UTR 25/4783
[adres 5]
€ 295.000,-
UTR 25/4784
[adres 6]
€ 788.000,-
UTR 25/4785
[adres 7]
€ 2.621.000,-
UTR 25/4786
[adres 8]
€ 368.000,-
UTR 25/4788
[adres 9]
€ 835.000,-
UTR 25/4789
[adres 10]
€ 429.000,-
UTR 25/4790
[adres 11]
€ 498.000,-
UTR 25/4791
[adres 12]
€ 1.303.000,-
UTR 25/4792
[adres 13]
€ 555.000,-
UTR 25/4793
[adres 14]
€ 765.000,-
UTR 25/4794
[adres 15]
€ 999.000,-
UTR 25/4795
[adres 16]
€ 839.000,-
UTR 25/4796
[adres 17]
€ 520.000,-
UTR 25/4797
[adres 18]
€ 621.000,-
UTR 25/4799
[adres 19]
€ 307.000,-
UTR 25/4800
[adres 20]
€ 1.523.000,-
UTR 25/4801
[adres 21]
€ 3.747.000,-
UTR 25/4802
[adres 22]
€ 775.000,-
UTR 25/4803
[adres 23]
€ 1.108.000,-
UTR 25/4804
[adres 24]
€ 47.000,-
UTR 25/4805
[adres 25]
€ 188.000,-
UTR 25/4806
[adres 26]
€ 304.000,-
UTR 25/4807
[adres 27]
€ 986.000,-
UTR 25/4808
[adres 28]
€ 737.000,-
UTR 25/4809
[adres 29]
€ 883.000,-
UTR 25/4810
[adres 30]
€ 2.736.000,-
UTR 25/4811
[adres 31]
€ 1.649.000,-
UTR 25/4812
[adres 32]
€ 804.000,-
UTR 25/4813
[adres 33]
€ 688.000,-
UTR 25/4814
[adres 34]
€ 1.436.000,-
UTR 25/4815
[adres 35]
€ 510.000,-
UTR 25/4816
[adres 36]
€ 648.000,-
UTR 25/6657
[adres 37]
€ 585.000,-
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 27 december 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaken gehandhaafd.
3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatatierapport ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiseres geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiseres heeft hierop gereageerd met een zogenaamde ‘pinpointbrief’. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak.
7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de rechtbank geen reactie ontvangt, de gemachtigde van eiseres het risico loopt dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep zonder concrete gronden. De gemachtigde van eiseres heeft niet op deze brief gereageerd. De rechtbank zal dan ook uitspraak doen zonder concrete gronden van de kant van eiseres.
8. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
9. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en het taxatierapport aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van te hoge waardes. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in het taxatierappport genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige objecten. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Verder valt de gehanteerde huurwaarde per m2 van de onderhavige de objecten binnen de bandbreedte van die van de referentieobjecten, enheeft de heffingsambtenaar de kapitalisatiefactor van de onderhavige objecten onderbouwd aan de hand van de bottom-up methode. Ook vergelijkt de heffingsambtenaar de onderhavige objecen met vier verkopen van winkels. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waardes niet te hoog zijn vastgesteld.
10. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling juist is. Nu de gemachtigde van eiseres geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres de vastgestelde waardes niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waardes van de onroerende zaken niet te hoog zijn vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
13. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.