ECLI:NL:RBMNE:2025:6949

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
25/52
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de WOZ-waarde van een tankstation en de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. die eigenaar is van een tankstation, en de heffingsambtenaar van de gemeente. De heffingsambtenaar had de waarde van het tankstation vastgesteld op € 415.000,- voor het belastingjaar 2024, gebaseerd op de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Eiseres ging in bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat de beroepsgronden van eiseres te algemeen waren om in aanmerking te komen voor een inhoudelijke beoordeling. De rechtbank heeft ook het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens een te lange procedure afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak benadrukt het belang van concrete en specifieke beroepsgronden in belastingzaken.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/52

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , de heffingsambtenaar

(gemachtigde: M.C. Vael).

Inleiding

1. In de beschikking van 31 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van het tankstation op het adres [adres] in [plaats] voor het belastingjaar 2024 vastgesteld op € 415.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2023. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiseres ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
2. Eiseres is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 16 december 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van het tankstation gehandhaafd.
3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend.
4. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

5. In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechter de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien hij van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. [1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
6. De gemachtigde van eiseres heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiseres stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrix ingediend.
7. De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiseres gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiseres verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de rechtbank geen reactie ontvangt, de gemachtigde van eiseres het risico loopt dat de rechtbank uitspraak doet op het beroep zonder concrete gronden.
8. De gemachtigde van eiseres heeft bij brief hierop gereageerd. De inhoud van deze brief is min of meer hetzelfde als de brieven die de gemachtigde van eiseres heeft gestuurd in alle andere zaken waarin de rechtbank om zaakspecifieke gronden heeft verzocht. Opnieuw staan er in de brief van de gemachtigde van eiseres alleen algemeenheden. De rechtbank is daarom van oordeel dat deze gronden niet als concrete op de zaak toegespitste gronden kunnen worden aangemerkt. De gemachtigde van eiseres heeft immers dezelfde standaardbrief in meerdere zaken tegelijk ingediend. Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling.
9. Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiseres, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en brieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op het tankstation betrekking hebbende stellingen. [2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen. [3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde. [4]
10. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrix aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van een te hoge waarde. Uit het verweerschrift en de taxatiematrix blijkt dat de waarde is bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘Real Estate Norm’-methodiek (REN-methode). Volgens deze methode wordt de waarde van het tankstation bepaald aan de hand van de som van de waarde van de opstallen en de waarde van de locatie. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op de landelijke taxatiewijzer deel 21. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld.
11. Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling juist is. Nu de gemachtigde van eiseres geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiseres de vastgestelde waarde niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

12. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van het tankstation niet te hoog is vastgesteld. Nu eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
13. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over haar belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
14. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr.D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
2.Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
3.Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
4.Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573.