In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. die eigenaar is van een tankstation, en de heffingsambtenaar van de gemeente. De heffingsambtenaar had de waarde van het tankstation vastgesteld op € 415.000,- voor het belastingjaar 2024, gebaseerd op de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ). Eiseres ging in bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat de beroepsgronden van eiseres te algemeen waren om in aanmerking te komen voor een inhoudelijke beoordeling. De rechtbank heeft ook het verzoek van eiseres om schadevergoeding wegens een te lange procedure afgewezen, omdat de redelijke termijn niet was overschreden. De uitspraak benadrukt het belang van concrete en specifieke beroepsgronden in belastingzaken.