In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente]. De heffingsambtenaar had op 30 september 2024 een aanslag zuiveringsheffing bedrijven opgelegd voor het belastingjaar 2023 met betrekking tot een object in [plaats]. Eiseres ging in bezwaar tegen deze beschikking, maar het bezwaar werd op 9 mei 2025 ongegrond verklaard. Hierop heeft eiseres beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was omdat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend. De rechtbank heeft de gemachtigde van eiseres meerdere keren verzocht om zaakspecifieke gronden, maar deze zijn niet geleverd. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag terecht is opgelegd en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Eiseres had ook verzocht om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees dit verzoek af.