In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres B.V. en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap. Eiseres had bezwaar aangetekend tegen een aanslag watersysteemheffing voor het belastingjaar 2024, welke door de heffingsambtenaar ongegrond was verklaard. Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen concrete beroepsgronden heeft ingediend en dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de aanslag terecht is opgelegd. De rechtbank heeft eiseres meerdere keren de gelegenheid gegeven om haar beroepsgronden te concretiseren, maar de ingediende stukken bevatten slechts algemene opmerkingen zonder specifieke onderbouwing. Hierdoor kon de rechtbank niet anders concluderen dan dat het beroep ongegrond is. Eiseres verzocht ook om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn niet is overschreden. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af en verklaart het beroep ongegrond.