In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 23 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, een B.V. uit [plaats], en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente]. De heffingsambtenaar had aan eiseres een aanslag watersysteemheffing opgelegd voor het belastingjaar 2023, welke eiseres in bezwaar had aangevochten. De heffingsambtenaar verklaarde het bezwaar ongegrond in een uitspraak op bezwaar van 9 mei 2025. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld, maar de rechtbank oordeelde dat het beroep kennelijk ongegrond was. De rechtbank stelde vast dat eiseres geen concrete beroepsgronden had ingediend en dat de ingediende stukken van de gemachtigde van eiseres niet specifiek genoeg waren om de aanslag te betwisten. De rechtbank heeft eiseres meerdere keren de gelegenheid gegeven om haar beroepsgronden te concretiseren, maar de reacties bleven algemeen en niet ter zake doende. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de aanslag terecht was opgelegd en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. Daarnaast heeft eiseres verzocht om schadevergoeding wegens een onredelijk lange procedure, maar de rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn niet was overschreden en wees dit verzoek af. De uitspraak werd openbaar gemaakt en een afschrift werd verzonden aan de betrokken partijen.