Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken voor het belastingjaar 2024. De heffingsambtenaar heeft de waardes vastgesteld op respectievelijk €1.608.000 en €1.197.000, welke in bezwaar zijn gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld omdat het kennelijk ongegrond is.
De gemachtigde van eiseres heeft geen concrete, zaaksspecifieke beroepsgronden ingediend, maar volstond met algemene en standaardbrieven die in meerdere zaken werden gebruikt. De rechtbank heeft eiseres meerdere malen verzocht om nadere concretisering en bewijs, maar deze verzoeken bleven onbeantwoord of onvoldoende.
De heffingsambtenaar heeft met taxatiematrices en vergelijkbare referentieobjecten aannemelijk gemaakt dat de waardestelling niet te hoog is. De rechtbank concludeert dat er geen redelijke twijfel bestaat over de juistheid van de waardes.
Daarnaast is het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de bezwaar- en beroepsfase samen minder dan twee jaar hebben geduurd.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.