Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
€ 270.284,50 teruggevorderd. Eiser is het niet eens met deze beslissing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht is overgegaan tot intrekking en terugvordering van de WIA-uitkering.
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
“ [functie] ”en van juli 2018 tot
mei 2019
“ [functie] ”deed voor [bedrijf] . Over de periode tussen september 2017 en juli 2018 heeft het Uwv in het geheel geen bewijs aangedragen.
“member”was bij het digitale platform [plaats] en dat hij zich bezig hield met netwerkmarketing. Het geschil gaat erom of eisers netwerkmarketingactiviteiten op geld waardeerbare activiteiten zijn die hij aan het Uwv had moeten melden.
“gaming, gambling, travel and business”.Eiser heeft een account bij [plaats] , net als zijn gezinsleden. Als
“member”kan hij digitale producten aankopen en gebruiken. Een belangrijk onderdeel van het verdienmodel van [plaats] en daarmee samenhangend de netwerkmarketingactiviteiten van eiser is het delen van de mogelijkheden van het platform met anderen. Eiser spreekt hierbij zijn netwerk aan. Als mensen met wie eiser dit had gedeeld zich vervolgens inschreven bij het platform, werden zij gekoppeld aan zijn account. Hierdoor ontstaat een zogenoemde
“downline”die is gekoppeld aan eiser. In wezen ontstaat een netwerk in de vorm van een piramide, waarbij eiser aan de top van de door hem zelf opgebouwde piramide staat. Het onder hem opgebouwde netwerk vormt zijn
“downline”.Eiser ontvangt commissies over hetgeen in zijn
“downline”gebeurt. De hoogte van de over de
“downline”genoten commissies is afhankelijk van de rank binnen [plaats] . De rank van eiser is in de relevante periode “
[naam] ”.
“downline”. Hiermee deelde eiser de mogelijkheden van het platform met anderen met het doel om hen enthousiast te maken over het platform [plaats] . De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij dergelijke filmpjes slechts maakte en vervolgens online deelde omdat hij mensen wilde inspireren. Eiser maakt deze filmpjes voor zijn (online) netwerk. Hij heeft verklaard dat hij zijn netwerk heeft aangesproken om mensen te attenderen op het platform en, in geval van interesse, in te schrijven en aan zijn account te koppelen. De rechtbank overweegt dat eiser dit heeft gedaan met het doel om financieel voordeel te behalen. Dat eiser geen controle kan uitoefenen over wat er in zijn
“downline”gebeurt, maakt dat niet anders. Het komt er in feite op neer dat eiser [plaats] , en de digitale producten die op het platform werden aangeboden, promootte en daarmee probeerde mensen toe te voegen aan zijn
“downline”.Hoe meer mensen zich daarbij aansloten, hoe meer inkomsten eiser daarmee genereerde. De rechtbank is van oordeel dat dit op geld waardeerbare activiteiten zijn. Eiser had deze werkzaamheden moeten melden bij het Uwv. [4]
“member”is van [plaats] . Volgens eiser mogen daarom ook in zijn geval de inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten niet van invloed zijn op zijn uitkering.
“member”is van [plaats] . De rechtbank is van oordeel dat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank kan hieruit niet opmaken dat sprake is van een gelijk geval. De enkele stelling van eiser dat deze persoon ook
“member”is van [plaats] is daarvoor onvoldoende. De rechtbank maakt uit de geanonimiseerde brief op dat deze persoon inkomsten uit online [functie] gemeld heeft aan het Uwv en dat zij vervolgens het bericht heeft gekregen dat de door haar doorgegeven inkomsten niet van invloed zijn op de uitkering van deze persoon. Wat daarvan de reden is, blijkt niet uit deze brief. Daarom komt eiser geen beroep op het gelijkheidsbeginsel toe. Bovendien blijkt uit de brief dat deze persoon, in tegenstelling tot eiser, wel melding heeft gemaakt van inkomsten. De beroepsgrond slaagt niet.
kanzijn op zijn uitkering, waarna het Uwv beoordeelt of doorgegeven inkomsten daadwerkelijk van invloed zijn op de uitkering. Dit betekent dat eiser uit (krantenartikelen over) fiscale rechtspraak niet kon afleiden dat hij zijn werkzaamheden voor [plaats] niet hoefde te melden. De rechtbank merkt verder op dat de stelligheid van eiser over de juistheid van zijn standpunt, dat sprake is van passief inkomen dat niet belast wordt in box 1, geen steun vindt in de fiscale rechtspraak. Weliswaar zijn er enkele uitspraken waarin (verliezen uit) netwerkmarketingactiviteiten niet in box 1 belast (of aftrekbaar) zijn, maar er zijn ook uitspraken waarin is geoordeeld dat inkomsten uit netwerkmarketingactiviteiten wel degelijk belastbaar zijn in box 1. [5] De rechtbank oordeelt dat het eiser redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat netwerkmarketingactiviteiten van invloed konden zijn op het recht op of de hoogte van zijn WIA-uitkering. Er is daarom geen reden voor het Uwv om niet met terugwerkende kracht in te trekken en terug te vorderen. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
1 maart 2017 tot en met 30 april 2019 was in totaal € 81.188,88. Eiser ontving over de bruto uitkering 8% vakantiegeld van in totaal € 6.495,11. Dit is een totaalbedrag van € 87.683,99. Een overzicht van de bedragen is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Het voorgaande betekent dat een bedrag van € 87.683,99 op het terugvorderingsbedrag van
€ 270.284,50 in mindering wordt gebracht. De rechtbank bepaalt het terugvorderingsbedrag over de periode 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2023 op bruto € 182.600,51. Deze uitspraak komt in de plaats van het bestreden besluit.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- bepaalt dat de WIA-uitkering wordt ingetrokken vanaf 1 mei 2019 en bepaalt het terugvorderingsbedrag over de periode van 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2023 op bruto € 182.600,51.
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats van het bestreden besluit treedt;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,--;
- draagt het Uwv op het griffierecht van € 53,-- aan eiser te vergoeden.