Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente [gemeente] , verweerder
Procesverloop
€ 1.047.000,- naar waardepeildatum 1 januari 2022. Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendzaakbelasting opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
27 oktober 2023 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de waarde gehandhaafd.
Overwegingen
.Eiser voert in het beroepschrift aan dat uit het taxatieverslag niet kan worden afgeleid of er voldoende rekening is gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen qua inhoud, bouwjaar, perceel, oppervlakte etc. Als de heffingsambtenaar in beroep alsnog een taxatiematrix zou inbrengen die meer gegevens bevat dan het taxatieverslag, blijkt daaruit al dat het taxatieverslag te kort schiet. Volgens eiser had de heffingsambtenaar een volledige matrix moeten overleggen. Eiser verwijst hiervoor naar het Black Box-arrest [1] en de uitspraak van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 27 juli 2021. [2]
Conclusie en gevolgen
Beslissing
P.W. Hogenbirk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2026.