ECLI:NL:RBMNE:2026:76

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4282
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIAArt. 6 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7a Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks beperkingen

Eiseres, die sinds oktober 2020 ziek is uitgevallen door knie- en psychische klachten, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2024 verbeterde haar situatie, waardoor het UWV concludeerde dat zij met passend werk 79,71% van haar oude loon kan verdienen, wat leidt tot beëindiging van de uitkering per juni 2024.

Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing, stellende dat haar beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn vanwege prikkelbelasting. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige bezwaar en beroep herbeoordeelden de situatie, namen aanvullende beperkingen op in de functionele mogelijkhedenlijst en selecteerden passende functies, resulterend in een arbeidsongeschiktheidspercentage van 22,78%. Het bezwaar werd ongegrond verklaard.

De rechtbank oordeelt dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en volledig zijn, dat de klachten van eiseres adequaat zijn vertaald in beperkingen, en dat de functies passend zijn ondanks de prikkelbelasting. Ook is het maatmanloon correct vastgesteld. De procedure is binnen de redelijke termijn afgerond, waardoor geen schadevergoeding wordt toegekend.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waarmee het UWV de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. De rechtbank benadrukt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet de ernst van de ziekte weerspiegelt, maar de mate waarin eiseres nog kan verdienen ten opzichte van haar oude loon.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering wordt terecht beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4282

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.H.M. Teeuw),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigden: mr. J.J. Grasmeijer en mr. B.E. de Leng).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiseres per 19 juni 2024 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De rechtbank beoordeelt het besluit van het Uwv aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2. Eiseres is op 21 oktober 2020 ziek uitgevallen voor haar werk als campingbeheerder voor gemiddeld 40,15 uur per week. Eiseres viel ziek uit als gevolg van knieklachten door een val. Het ziekteverzuim werd gecompliceerd door psychische klachten als gevolg van een arbeidsconflict met haar (thans) ex-werkgever.
3. Na een wachttijd van 104 weken heeft eiseres een WIA-uitkering bij het Uwv aangevraagd. Om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering moet worden vastgesteld dat eiseres door ziekte en/of gebrek ongeschikt is voor haar eigen functie en met passend werk niet meer dan 65% van het loon kan verdienen dat eiseres verdiende voordat zij ziek werd (en zij dus tenminste voor 35% arbeidsongeschikt moet worden geacht). [1]
4. Ter beoordeling van de WIA-aanvraag heeft een verzekeringsarts van het Uwv onderzoek gedaan naar de medische situatie van eiseres. De verzekeringsarts heeft een ernstige psychische stoornis bij eiseres vastgesteld, waardoor eiseres tijdelijk geen benutbare mogelijkheden had.
5. Met het besluit van 17 oktober 2022 is met ingang van 19 oktober 2022 een loongerelateerde WGA-uitkering aan eiseres toegekend gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. De verzekeringsarts heeft aangekondigd dat bij een toename van mogelijkheden een herbeoordeling zal plaatsvinden.
6. In het kader van een herbeoordeling is eiseres opgeroepen op het spreekuur van
27 februari 2024. De medische situatie van eiseres is volgens de verzekeringsarts verbeterd, waardoor eiseres nu wel over benutbare mogelijkheden beschikt. Ondanks de verbetering, heeft de verzekeringsarts, gelet op de medische situatie van eiseres, beperkingen ten aanzien van haar belastbaarheid in arbeid vastgesteld die zijn opgenomen in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 19 maart 2024.
7. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens geconcludeerd dat eiseres haar eigen werk als campingbeheerder niet meer kan doen en heeft drie functies geselecteerd die eiseres, ondanks de beperkingen genoemd in de FML, kan doen. Door het uurloon in de middelste functie (de functies staan op volgorde van uurloon) af te zetten tegen het inkomen dat eiseres had voordat zij ziek werd (het maatmanuurloon) heeft de arbeidsdeskundige berekend dat eiseres met die functie 79,71% kan verdienen van het inkomen dat zij had voordat zij ziek werd. Voor de overige 20,29% moet eiseres arbeidsongeschikt worden beschouwd. Omdat dit minder is dan 35%, heeft het Uwv de WIA-uitkering van eiseres met het besluit van 18 april 2024 met ingang van 19 juni 2024 beëindigd.
8. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat eiseres vindt dat zij meer en verdergaand beperkt is dan in de FML is aangenomen. Ook acht eiseres de geduide functies niet geschikt, omdat de werkzaamheden plaatsvinden in een (fabrieks-)omgeving met veel licht en prikkels.
9. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in wat eiseres heeft aangevoerd aanleiding gezien om de FML van 19 maart 2024 te herzien. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een nieuwe FML van 20 mei 2025 vastgesteld, waarin onder meer aanvullende beperkingen voor visuele en auditieve prikkels zijn opgenomen.
10. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft één van de primair geduide functies doen vervallen, omdat deze niet passend is, gelet op de (aangepaste) belastbaarheid van eiseres. In plaats daarvan is een andere functie geselecteerd. Verder is ook het maatmanloon gecorrigeerd op basis van gewijzigde indexcijfers. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft berekend dat eiseres 22,78% arbeidsongeschikt is. Omdat dit nog steeds minder is dan 35%, heeft het Uwv het bezwaar van eiseres met het besluit van 19 juni 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
11. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
12. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door haar partner [A] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

13. Bij het beoordelen van de zaak stelt de rechtbank voorop dat het Uwv zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aan te voeren en aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in principe een rapport van een arts nodig. Dit brengt mee dat de manier waarop eiseres zelf haar gezondheidsklachten ervaart, hiervoor onvoldoende is.
14. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd die zien op de juistheid van de medische beoordeling. Ook keert eiseres zich tegen de arbeidskundige beoordeling en is volgens eiseres van een te laag maatmanloon uitgegaan. De beroepsgronden zal de rechtbank hierna achtereenvolgens behandelen.
Medisch onderzoek
15. Eiseres voert aan dat de door haar ervaren klachten, waaronder overprikkeling, vermoeidheid, spanning, concentratieproblemen, problemen met de emotieregulatie en fysieke beperkingen, niet of onvoldoende zijn meegenomen bij de medische beoordeling. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een verklaring haar ambulant begeleider en werkcoach van [organisatie] van 30 mei 2024 overgelegd, waaruit volgt dat eiseres volgens hen nog niet volledig en duurzaam belastbaar is voor betaalde werkzaamheden. De kans op het overschrijden van de belastbaarheid met het risico van terugval wordt door [organisatie] te groot geacht. In het bestreden besluit wordt aan deze verklaring volgens eiseres geen aandacht besteed en ontbreekt een motivering waarom deze informatie terzijde is gelegd.
16. De rechtbank stelt vast dat eiseres is gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur van 19 mei 2025. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook dossierstudie verricht, zo volgt uit de rapportage van 20 mei 2025. In het dossier zitten onder meer een psychiatrische expertise van 9 januari 2023 en een brief van een psycholoog van 14 september 2021. Ook de verklaring van [organisatie] maakt onderdeel uit van het dossier, omdat eiseres dit stuk reeds in bezwaar heeft ingebracht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is met [organisatie] van oordeel dat eiseres nog niet volledig belastbaar is. Dat bevestigt de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 19 september 2025 en komt ook tot uitdrukking in beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen, zowel op psychisch en lichamelijk vlak, en heeft vastgelegd in de FML.
17. De rechtbank is van oordeel dat alle door eiseres genoemde klachten, zoals vermeld in de brief van [organisatie] , zijn vertaald naar beperkingen in de FML. Zo is eiseres aangewezen op werk waarbij zij niet of nauwelijks wordt afgeleid door intense auditieve en visuele prikkels en waarbij wisselende uitvoeringsomstandigheden of taakinhoud geen wezenlijk onderdeel van de functie vormt. Daarnaast kan eiseres deadlines en productiepieken alleen hanteren in eenvoudig productiematig/routinematig werk. Ook is op grond van preventieve redenen een urenbeperking aangenomen. Eiseres is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep in staat om tot en met 32 uur per week te werken. Verder zijn beperkingen voor dynamische handelingen aangenomen, vanwege de fysieke klachten van eiseres. De rechtbank is dan ook niet gebleken dat beschikbare medische informatie is gemist, waardoor de FML onvolledig zou zijn. Eiseres heeft bovendien niet met medische stukken van een arts onderbouwd dat zij meer en verdergaand beperkt is dan de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft aangenomen. De rechtbank heeft dan ook geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Op de zitting heeft eiseres nog aangevoerd dat zij niet 32 uur per week kan werken, maar ook dat standpunt heeft eiseres niet met medische stukken onderbouwd. Ook op dit punt gaat de rechtbank dus uit van de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Gelet op het voorgaande slaagt de beroepsgrond niet.
Arbeidskundig
18. Eiseres voert aan dat de door het Uwv geselecteerde functies geen rekening houden met de door eiseres ervaren beperkingen in relatie tot prikkels, geluid, en concentratie. De functies worden uitgevoerd in een omgeving waarin sprake is van aanzienlijke prikkelbelasting, mede als gevolg van het aantal personen dat in één ruimte werkt, hetgeen de klachten van eiseres verergert. Daarmee zijn deze functies feitelijk niet geschikt. Daarnaast heeft eiseres op de zitting aangevoerd dat de geduide functies slechts in theorie bestaan, maar dat in de praktijk daaraan aanvullende eisen worden gesteld. Eiseres baseert dit standpunt op eigen ervaringen met solliciteren. Zo werd het dragen van een koptelefoon tijdens werk niet passend geacht en beschikte eiseres niet over het juiste opleidingsniveau. Eiseres voert aan dat zij bovendien geen koptelefoon kan dragen, omdat zij daardoor hoofdpijn krijgt.
19. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft de functies Archiefmedewerker (SBC-code 315132), Archiefmedewerker (SBC-code 553020) en Productiemedewerker industrie (SBC 111180) geselecteerd aan de hand van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) en op basis van deze functies de restverdiencapaciteit van eiseres berekend. Het betreffen bestaande voorbeeldfuncties die eiseres met haar beperkingen kan verrichten. Het zijn geen vacatures. [2] Uit vaste rechtspraak volgt dat in beginsel dient te worden uitgegaan van de juistheid van de in het CBBS opgenomen gegevens. [3] Dat eiseres in de praktijk nog geen geschikte vacatures heeft kunnen vinden, maakt niet dat de geselecteerde functies om die reden niet aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag hadden mogen worden gelegd.
20. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of de geduide functies de belastbaarheid van eiseres overschrijden. Bij de functie Archiefmedewerker (SBC-code 315132) is een signalering voor auditieve en visuele prikkels opgenomen. De werkruimte wordt beschreven als een ruime kantoortuin met circa 15 directe collega’s, waarbij de radio zacht aanstaat en de metaaldetector regelmatig piept. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is bij deze functie sprake van een matige auditieve en visuele prikkelbelasting, omdat collega’s met name aan hun eigen bureau werken en het geluid van de metaaldetector en de radio gering is. Eiseres wordt bovendien in staat geacht gehoorbescherming te dragen. Om die reden is de functie volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geschikt. Ook bij de functie van Archiefmedewerker (SBC-code 553020) is eenzelfde signalering opgenomen. Bij deze functie komt visuele afleiding voor door voortdurende beweging van collega’s in een grote kantoortuin, bestaande uit drie teams met elk 15 medewerkers. De visuele belasting wordt gereduceerd doordat halfhoge schotten tussen de bureaus zijn geplaatst. De auditieve belasting bestaat uit overlegmomenten tussen collega’s en is gering, omdat er niet wordt getelefoneerd op de afdeling. Ook voor deze functie wordt eiseres in staat geacht om gehoorbescherming te dragen, zodat er volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geen knelpunt is.
21. De rechtbank kan de toelichtingen van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep op de signaleringen volgen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep overleg heeft gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de geluidsbelasting in de geduide functies. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep is eiseres in staat om een koptelefoon te dragen. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van dat medisch oordeel, omdat eiseres geen medische stukken heeft ingebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat zij daardoor hoofdpijn krijgt. De rechtbank kan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep dus volgen dat de functies de belastbaarheid van eiseres niet overschrijden, omdat met passende maatregelen tegemoet is gekomen aan de beperkingen voor prikkelbelasting. De beroepsgrond slaagt niet.
Maatmanloon
22. Eiseres voert aan dat zij tijdens haar dienstverband bij ex-werkgever te weinig betaald heeft gekregen. Met betrekking tot de werkzaamheden die eiseres heeft uitgevoerd, had zij in een hogere salarisschaal geplaatst moeten worden, hetgeen tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage had geleid. Eiseres verdiende in 2020 € 1.680,00 bruto per maand, terwijl zij volgens de COA Recreatie 2019-2021 €2.612,07 bruto per maand had moeten verdienen. Ter onderbouwing heeft eiseres een getuigschrift overgelegd, waarin haar ex-werkgever de werkzaamheden van eiseres beschrijft. Die werkzaamheden vallen volgens eiseres volgens het ‘Handboek functie-indeling’ onder schaal 6 uit de CAO. Op het Uwv rustte volgens eiseres op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ambtshalve een onderzoeksplicht om na te gaan of het betaalde loon in overeenstemming was met de toepasselijke CAO-bepalingen, of de functie-indeling correct was toegepast en of sprake was van structurele onderbetaling.
23. De rechtbank vertaalt de beroepsgrond van eiseres zo dat eiseres vindt dat het Uwv bij de arbeidskundige beoordeling is uitgegaan van een onjuist maatmaninkomen. Dat is het inkomen dat eiseres verdiende toen zij nog niet ziek was. Het Uwv kijkt daarbij naar het gemiddelde inkomen dat de verzekerde heeft verdiend in het jaar voorafgaande aan diens eerste ziektedag. [4] Voor de berekening van het maatmanloon is het in de referteperiode genoten sociaal-verzekeringsloon (het loon waarover sociale verzekeringspremies worden berekend), zoals vermeld in de polisadministratie, bepalend. [5] Het Uwv mag dus uitgaan van het sociaal-verzekeringsloon, zoals dat door de werkgever is opgegeven. Van een ambtshalve onderzoeksplicht is geen sprake. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is bij de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage dus uitgegaan van het juiste maatmanloon. Dat eiseres voor haar werkzaamheden mogelijk niet CAO-conform is betaald, is een arbeidsrechtelijk vraagstuk dat niet in deze procedure voorligt, maar eventueel aan de civiele rechter kan worden voorgelegd. Zoals door het Uwv is aangegeven kan, als het salaris achteraf wordt aangepast, eiseres bij het Uwv om een correctie vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Overschrijding redelijke termijn
24. Eiseres voert aan dat de procedure veel te lang heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar heeft in ieder geval langer dan zes maanden geduurd, zodat eiseres vindt dat zij recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn.
25. Met betrekking tot de overschrijding van de redelijk termijn overweegt de rechtbank dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in zaken in eerste aanleg in beginsel niet overschreden is als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [6]
26. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het Uwv het bezwaarschrift ontvangt. De rechtbank stelt vast dat het bezwaarschrift dateert van 28 mei 2024. Bij uitspraak van heden wordt binnen twee jaar op het beroep beslist. Omdat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden, is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen recht op schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de WIA-uitkering van eiseres terecht heeft beëindigd. In dat verband wil de rechtbank nog opmerken dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet WIA uiteindelijk niet gaat over hoe ziek een verzekerde is, maar over wat die verzekerde ondanks zijn of haar arbeidsbeperkingen nog kan verdienen van het inkomen dat hij of zij voorheen had; het maatmaninkomen. Hoe lager dat maatmaninkomen is, hoe sneller de verzekerde in staat is om (een groot deel van) dat inkomen te verdienen met een van de geselecteerde functies. Hoewel eiseres in deze zaak dus voor 22,78% arbeidsongeschikt wordt beschouwd, betekent dat niet dat eiseres niet ziek zou zijn. Integendeel, er zijn veel en forse beperkingen voor eiseres aangenomen in de FML. Het Uwv onderkent dus dat er wel degelijk wat met eiseres aan de hand is. Het arbeidsongeschiktheidspercentage betekent alleen dat eiseres, ondanks haar beperkingen, nog in staat is om 77,22% te verdienen van wat zij verdiende voordat zij uitviel, en dat zij daarom niet (langer) in aanmerking komt voor een WIA-uitkering.
28. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding wijst de rechtbank af.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 5 van Pro de Wet WIA.
2.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) van 1 november 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2052, rechtsoverweging 4.7.2.
3.Uitspraak van de CRvB van 15 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1737, rechtsoverweging 4.3.1.
4.Artikel 7a van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 7 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:763 en de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2020, ECLI:RBMNE:2020:2455.
6.Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:598, rechtsoverwegingen 15 en 16.