Eiser stelde beroep in tegen navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen over meerdere jaren, waarbij verweerder diverse aanslagen en boetes deels had verminderd of vernietigd. Eiser wenste daarnaast immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang had bij beroep tegen de navorderingsaanslagen 1990 en 1991, omdat deze waren vernietigd en er geen grondslag was voor een afzonderlijk verzoek om schadevergoeding. De boetebeschikking over 2005 werd verminderd van €73 naar €57, waarmee eiser zich verenigde met de overige aanslagen en boetes.
De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn niet was overschreden vanwege de complexiteit van de zaak, instemming van eiser met aanhouding van bezwaren, en tijd besteed aan vaststellingsovereenkomsten. Daarom werd het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen en de beroepen tegen de aanslagen 2001-2008 ongegrond verklaard.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Holland op 26 september 2013.