ECLI:NL:RBNHO:2021:12595
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank vernietigt terugvordering bijstand wegens verjaring en vertrouwensbeginsel
Eiseres ontving bijstandsuitkeringen van 2006 tot 2016 en werd geconfronteerd met een terugvordering van €54.422,76 wegens niet gemelde stortingen op haar bankrekening. Verweerder had de bijstand herzien, ingetrokken en teruggevorderd over perioden van 2008 tot 2016. Eiseres voerde onder meer aan dat de vordering deels was verjaard, zij de inlichtingenplicht niet had geschonden en dat het terugvorderen tot onaanvaardbare financiële gevolgen zou leiden.
De rechtbank stelde vast dat eiseres inderdaad niet spontaan de stortingen had gemeld, waardoor de inlichtingenplicht was geschonden. Echter, de terugvordering over de periode vóór 22 juli 2010 was verjaard volgens artikel 3:309 BW Pro. Voor de periode 2008-2013 oordeelde de rechtbank dat terugvordering tot onaanvaardbare consequenties zou leiden, waaronder frustratie van het schuldhulpverleningstraject, en verweerder had moeten afzien van terugvordering wegens bijzondere omstandigheden.
Voor de periode 2013-2016 vond de rechtbank dat eiseres erop mocht vertrouwen dat geen terugvordering zou volgen na beëindiging van haar uitkering, waardoor terugvordering in strijd was met het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheid. Gelet op deze omstandigheden vernietigde de rechtbank het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalde dat verweerder afziet van terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand over de gehele periode 2008-2016. Tevens werden proceskosten aan eiseres toegekend.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot terugvordering van bijstand over 2008-2016 en bepaalt dat verweerder afziet van terugvordering.