ECLI:NL:RBNHO:2026:8170

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
HAA 25/3508, HAA 25/5244 en HAA 26/2520
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:39 AwbWet basisregistraties adressen en gebouwenArtikel 19 Wet BAG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke handhaving en invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan en ontbreken omgevingsvergunning

Eiser heeft meerdere overtredingen begaan in strijd met het bestemmingsplan en aanlegwerkzaamheden verricht zonder omgevingsvergunning. Het college legde daartoe last onder dwangsom op en besloot tot invordering van de verbeurde dwangsom. Eiser voerde onder meer aan dat hij beschikte over een van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor een tijdelijke seniorenwoning, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit hoger beroep ongegrond verklaard.

De rechtbank stelt vast dat het college terecht handhavend is opgetreden en dat er geen concreet zicht is op legalisatie. Ook acht de rechtbank het handhavend optreden niet onevenredig, mede gelet op de zorgplicht die het college heeft vervuld ten aanzien van de gezondheidssituatie van eiser en zijn vrouw. De dwangsommen zijn proportioneel en conform beleid vastgesteld.

Eiser heeft de aanlegwerkzaamheden ondanks de last voortgezet, waardoor de dwangsom van rechtswege is verbeurd en invordering gerechtvaardigd is. De beroepen worden ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af wegens strijd met het bestemmingsplan en ontbreken van een geldige omgevingsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 2525/3508 (beroep), HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer op de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening van 8 juli 2026 in de zaken tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen

(gemachtigde: mr. K. Witte)
Als derde-partij 1 neemt aan de zaak deel:
[derde-partij 1]uit [plaats]
(gemachtigde: mr. Z.P. Kruiver-Millenaar)

Als derde-partij 2 neemt aan de zaak deel: [derde-partij 2] uit [plaats] .

Samenvatting

HAA 25/3508 (beroep)
1.1.
Deze uitspraak gaat over een door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom voor het verwijderen en verwijderd houden van diverse zonder omgevingsvergunning geplaatste bouwwerken, aangebrachte verhardingen, aangebrachte opgaande beplantingen en opslag van materialen en objecten. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 25 juni 2025 (hierna: het bestreden besluit 1).
HAA 25/5244 (beroep)
1.2.
Deze uitspraak gaat ook over een door het college aan eiser opgelegde last onder dwangsom voor het met onmiddellijke ingang staken en gestaakt houden van alle werkzaamheden die betrekking hebben op het aanleggen van elektriciteit- en watervoorzieningen met inbegrip van het leggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Eiser is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 8 oktober 2025 (hierna: het bestreden besluit 2).
HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
1.3.
Deze uitspraak gaat tot slot over het door eiser ingediende verzoek om voorlopige voorziening hangende het bezwaarschrift dat is ingediend naar aanleiding van het door het college genomen besluit dat strekt tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom omdat eiser de werkzaamheden die betrekking hebben op het aanleggen van elektriciteit- en watervoorzieningen met inbegrip van het leggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur ondanks de opgelegde last onder dwangsom toch heeft voortgezet. [1]
Conclusie
1.4.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college beide lasten heeft kunnen opleggen en dat het college kon overgaan tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom
.Eiser heeft in strijd met het bestemmingsplan meerdere overtredingen begaan en heeft daarnaast aanlegwerkzaamheden verricht zonder in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning. Daarnaast is legalisatie niet aan de orde en zijn er geen bijzondere omstandigheden gebleken die ertoe hadden moeten leiden dat het college af zou zien van handhaving. Het college kon bovendien overgaan tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom, omdat eiser de aanlegwerkzaamheden heeft voortgezet ondanks de opgelegde last onder dwangsom. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 januari 2026 [2] , onherroepelijk vast is komen te staan dat eiser niet in het bezit is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Tot slot komt de rechtbank tot het oordeel dat het college heeft voldaan aan de zorgplicht. Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Leeswijzer
1.5.
Onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 9 staat de voorgeschiedenis en het procesverloop van deze drie zaken. Onder 10 staan de standpunten van het college. Onder 11 staan de standpunten van eiser. Onder 12 staat het toetsingskader. De beoordeling door de rechtbank staat onder 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19. Onder 20 staat de conclusie en de gevolgen daarvan. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank.

Voorgeschiedenis en procesverloop

2. Deze drie zaken kennen een lange voorgeschiedenis en daarom zal deze hier – voor zover van belang voor deze zaken – worden geschetst. De rechtbank stelt in dit kader de volgende niet in geschil zijnde feiten en het procesverloop vast die zij tot uitgangspunt heeft genomen.
Betonnen platen bij opgang perceel (besluit 8 maart 2011)
3. Op het toegangspad/de dam naar het perceel heeft eiser vanaf de weg over een lengte van ongeveer 18 meter betonnen platen neergelegd. De door eiser aangevraagde aanlegvergunning hiervoor is destijds afgewezen. Deze rechtbank heeft bij uitspraak van 11 november 2007 de afwijzing van deze aanlegvergunning vernietigd en daarop heeft het college met het besluit van 8 maart 2011 alsnog besloten de betonnen platen bij de opgang van het perceel toe te staan. Hiertegen heeft derde-partij 1 beroep ingediend. Dit beroep spitste zich toe op het antwoord op de vraag of zich puin in de bodem bevindt. Dit beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 7 maart 2013 ongegrond verklaard. Hiermee is onherroepelijk vast komen te staan dat de betonnen platen bij de opgang van het perceel aanwezig mogen zijn.
Van rechtswege verleende omgevingsvergunning
4.1.
Op 3 december 2020 heeft eiser een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen en tijdelijk bewonen van een kleine de-mobiele seniorenwoning op het perceel aan de [adres 1] in [plaats] voor een periode van maximaal tien jaar (desnoods maximaal vijf jaar).
4.2.
Op 11 mei 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.
4.3.
Met de uitspraak van 9 december 2021 [3] heeft deze rechtbank overwogen dat eiser op 3 december 2020, bij het college ingekomen op 7 december 2020, een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend voor een tijdelijke seniorenwoning op het perceel. Volgens de rechtbank maakt onder meer de omstandigheid dat eiser in zijn aanvraag de mogelijkheid heeft opengelaten voor een tijdelijke vergunning voor vijf in plaats van tien jaar niet dat de brief van 3 december 2020 geen aanvraag is. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college op die aanvraag niet tijdig heeft beslist, zodat de gevraagde vergunning van rechtswege is verleend. De rechtbank heeft in deze uitspraak het college opgedragen de aan eiser van rechtswege verleende omgevingsvergunning bekend te maken.
4.4.
Het college heeft op 20 december 2021 bekendgemaakt dat op 3 december 2020, ontvangen op 7 december 2020, een aanvraag is ingekomen voor het realiseren van een mobiele seniorenwoning voor de periode van vijf jaar op het perceel en dat de vergunning daarvoor op 1 februari 2021 van rechtswege is verleend.
Herroeping van rechtswege verleende omgevingsvergunning en aanvraag alsnog afgewezen
5.1.
Derde-partij 1 heeft bezwaar gemaakt tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Eiser heeft ook bezwaar gemaakt, omdat het college volgens eiser ten onrechte een omgevingsvergunning bekend heeft gemaakt voor een “mobiele” seniorenwoning voor de duur van vijf jaar, terwijl eiser een omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor een “de-mobiele” seniorenwoning voor de duur van tien jaar.
5.2.
Met het besluit van 26 juli 2022 heeft het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat het bouwplan in strijd is met de voor het perceel geldende bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en natuurlijke waarden”. Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf, alsmede voor het behoud, herstel en versterking van de aan de betreffende gronden eigen zijnde landschappelijke, bodemkundige en natuurlijke waarden. Het perceel heeft ook geen bouwvlak. Het college is niet bereid voor het bouwen van een woning, al dan niet tijdelijk, in afwijking van het bestemmingsplan “Landelijk gebied 1998” een omgevingsvergunning te verlenen. Het bouwplan is niet gelegen in of aan een kern of een dorpslint en doet volgens het college afbreuk aan de landschappelijke karakteristiek en openheid van het (buiten)gebied.
5.3.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Met de uitspraak van 30 oktober 2023 [4] heeft deze rechtbank geoordeeld dat derde-partij 1 als belanghebbende moet worden aangemerkt omdat derde-partij 1 eigenaar is van het naastgelegen perceel. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat vaststaat dat de van rechtswege verleende omgevingsvergunning betrekking heeft op een “de-mobiele” woning en dat het college op 20 december 2021 tijdig een reëel besluit heeft genomen voor een de-mobiele seniorenwoning voor de duur van vijf jaar dat in de plaats treedt van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Tot slot mocht het college de van rechtswege verleende omgevingsvergunning in heroverweging herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning redelijkerwijs alsnog weigeren. De rechtbank acht de motivering van het college dat hij het niet wenselijk acht om een woning toe te staan op agrarische grond niet onredelijk.
5.4.
Eiser heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De behandeling van het hoger beroep stond op 19 juni 2025 op zitting. Tijdens deze zitting heeft eiser de behandeld rechter/staatsraad gewraakt. Met de beslissing van 18 juli 2025 heeft de wrakingskamer van de Afdeling dit wrakingsverzoek afgewezen. Op 25 november 2025 heeft de Afdeling de mondelinge behandeling van de zitting van 19 juni 2025 voortgezet. Met de uitspraak van 7 januari 2026 heeft de Afdeling het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2023, met verbetering van de gronden, bevestigd.
Standplaats in de zin van de Wet BAG [5] en toekenning huisnummer
6.1.
Gelijktijdig met het verlenen van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft het college met het besluit van 20 december 2021 een standplaats in de zin van de Wet BAG vastgesteld en tevens een huisnummer toegekend, [adres 2] in [plaats] . Met het besluit van 23 december 2021 heeft het college op verzoek van eiser het huisnummer [huisnummer 1] gewijzigd naar huisnummer [huisnummer 2] .
6.2.
Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 30 oktober 2023 heeft het college met het besluit van 4 december 2023 de standplaats [adres 3] in [plaats] ingetrokken als standplaats in de zin van de Wet BAG. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Met de mondelinge uitspraak van 21 maart 2024 [6] heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, omdat het belang van eiser bij het niet intrekken van de standplaats niet zo spoedeisend is dat niet kan worden gewacht totdat het college heeft beslist op het bezwaar van eiser.
6.3.
Met het besluit van 27 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard, omdat de inschrijving van de standplaats in de BAG-registratie geen nieuwe rechten of plichten in het leven brengt. Het is een administratieve handeling en daarom geen besluit waartegen de bezwaarprocedure open staat. Daarnaast heeft het college besloten, in ieder geval totdat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in het geschil over de van rechtswege verleende omgevingsvergunning, de feitelijke situatie op te nemen in de BAG. De standplaats met bijbehorend adres [adres 3] in [plaats] is in de BAG geregistreerd op basis van een document waarin de constatering van de aanwezigheid van het object is vastgelegd. De standplaats heeft bij de opneming in de BAG-registratie de aanduiding “geconstateerd” gekregen. [7] Opname van deze standplaats in het BAG wil echter niet zeggen dat de feitelijk waargenomen situatie daarmee ook legaal is.
HAA 25/3508 (beroep)
7.1.
Derde-partij 1 heeft op 10 april 2024 en derde-partij 2 heeft op 25 juni 2024 het college verzocht handhavend op te treden vanwege overlast van illegale activiteiten op het perceel van eiser. De toezichthouder heeft op 6 juni 2024, 27 juni 2024 en 27 september 2024 controles uitgevoerd en daarbij 21 overtredingen geconstateerd. Bij brief van 5 juli 2024 heeft het college aan eiser het voornemen bekend gemaakt om handhavend op te treden door middel van een last onder dwangsom. Eiser heeft op 25 juli 2024 een zienswijze ingediend.
7.2.
Met het primaire besluit van 8 oktober 2024 (hierna: het primaire besluit 1) heeft het college een last onder dwangsom opgelegd en eiser gelast om binnen zes weken diverse zonder omgevingsvergunning geplaatste bouwwerken, aangebrachte verhardingen, aangebrachte opgaande beplantingen en opslag van materialen en objecten te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij kan maximaal € 104.700,00 aan dwangsommen verbeurd worden. Hiertegen heeft eiser op 25 oktober 2024, aangevuld op 14 november 2024, bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
7.3.
Met de uitspraak van 19 november 2024 [8] heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Per e-mailbericht van 4 november 2024 heeft het college de voorzieningenrechter in kennis gesteld dat is besloten om de begunstigingstermijn verbonden aan de hiervoor genoemde last op te schorten tot na de behandeling van het bezwaar. Gelet daarop ziet de voorzieningenrechter geen grond om te oordelen dat eiser de uitkomst van het bezwaar niet kan afwachten.
7.4.
Met het bestreden besluit 1 is het bezwaar deels gegrond verklaard, namelijk voor zover het overtreding 12 betreft, en voor het overige heeft het college het primaire besluit 1 gehandhaafd. Daarbij kan maximaal € 102.700,00 aan dwangsommen verbeurd worden. Ten aanzien van de begunstigingstermijn is een verlenging verleend van 12 weken na verzending van het bestreden besluit 1, tot uiterlijk 17 september 2025.
7.5.
Eiser heeft op 6 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1 en omdat de begunstigingstermijn afliep heeft eiser de voorzieningenrechter op 15 september 2025, aangevuld op 26 oktober 2025 en 5 november 2025, verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [9] . Het college heeft naar aanleiding daarvan de begunstigingstermijn verlengd tot de datum van de zitting waarop het verzoek om voorlopige voorziening zou worden behandeld.
7.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 november 2025 op zitting behandeld. De voorzieningenrechter heeft aan het einde van de zitting bij wege van een ordemaatregel een voorlopige maatregel getroffen en aangekondigd uiterlijk twee weken nadien, op 20 november 2025, uitspraak te doen op het verzoek en mogelijk ook op het connexe beroep en de begunstigingstermijn verlengd tot 1 (één) dag na de uitspraak in de voorlopige voorzieningenprocedure. [10]
7.7.
Eiser heeft op 11 november 2025 de wraking verzocht van de voorzieningenrechter en op 18 en 19 november 2025 de wraking verzocht van de rechters van de wrakingskamer. Met de beslissing van 21 november 2025 [11] heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de rechters van de wrakingskamer afgewezen en bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van eiser niet in behandeling wordt genomen. Eiser heeft op
24 november 2025 nogmaals de wraking verzocht van de voorzieningenrechter en op
8 december 2025 nogmaals de wraking verzocht van de rechters van de wrakingskamer. Gelet op de wrakingsbeslissing van 21 november 2025 is het wrakingsverzoek van
8 december 2025 niet in behandeling genomen. Met de beslissing van 19 december 2025 [12] heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de voorzieningenrechter niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit verzoek naar het oordeel van de wrakingskamer te laat is ingediend. Daarnaast beveelt de wrakingskamer dat de voorlopige voorzieningenprocedure wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
7.8.
Na de zitting van 6 november 2025 en het wrakingsverzoek van 11 november 2025 heeft de voorzieningenrechter nog nieuwe stukken en correspondentie ontvangen van partijen. De voorzieningenrechter heeft partijen op 21 november 2025 bericht dat zolang het wrakingsverzoek in behandeling is de voorzieningenrechter hier niet op reageert.
7.9.
Op 22 december 2026 heeft eiser het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Dat betekent dat de voorlopige voorzieningenprocedure is beëindigd.
7.10.
Met de brief van 6 januari 2026 heeft de rechtbank partijen het proces-verbaal van de mondeling uitgesproken ordemaatregel toegestuurd en partijen bericht dat de voorzieningenrechter vanwege het intrekken van het verzoek om voorlopige voorziening geen uitspraak zal doen in de voorlopige voorzieningenprocedure en niet meer zal reageren op de na de zitting van 6 november 2025 en het wrakingsverzoek van 11 november 2025 ontvangen stukken en correspondentie van partijen. Ook zullen de stukken niet worden toegevoegd aan de dossiers van het verzoek en het connexe beroep.
7.11.
Het college heeft op 2 april 2026, in aanvulling op het verweerschrift van
4 september 2025, op het beroep gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
7.12.
Op 10, 11 en 12 april 2026 heeft de rechtbank per mail aanvullende stukken en correspondentie van eiser ontvangen, waaronder een verslag van waarnemingen en een lijst van verwijderingen.
7.13.
Op verzoek van de rechtbank heeft het college op 15 april 2026 schriftelijk gereageerd op het door eiser overgelegde verslag van waarnemingen en de lijst van verwijderingen.
HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
8.1.
Op 10 april 2025 hebben toezichthouders een controle uitgevoerd op het perceel van eiser. Tijdens deze controle is geconstateerd dat er werkzaamheden worden uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van elektriciteits- en watervoorzieningen. Op het perceel van eiser is een put aangebracht waarheen in de grond een water- en een elektriciteitsleiding is aangelegd.
8.2.
Met het besluit van 11 april 2025 (hierna: het primaire besluit 2) heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd voor het met onmiddellijke ingang staken en gestaakt houden van alle werkzaamheden die betrekking hebben op de aanleg van elektriciteits- en watervoorzieningen met inbegrip van het leggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur. Ook heeft het college de aanlegwerkzaamheden stilgelegd om te voorkomen dat de strijdige situatie in ernst en omvang toeneemt en om gevaar en/of hinder te voorkomen dan wel te beperken. Indien eiser de aanlegwerkzaamheden voortzet of laat voortzetten verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,00 ineens. Hiertegen heeft eiser op 13 april 2025 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter gevraagd om bij voorlopige voorziening de last onder dwangsom te schorsen.
8.3.
Op 29 april 2025 hebben toezichthouders nogmaals een controle uitgevoerd en geconstateerd dat eiser, ondanks de opgelegde last, de aanlegwerkzaamheden heeft voortgezet. De waterleiding en elektrakabel zijn verder aangelegd en aangesloten op een kraan en een (bouw)meterkast. De daarvoor gegraven geulen zijn dichtgemaakt.
8.4.
Op 26 juni 2025 heeft het college eiser geïnformeerd over het voornemen tot invordering van de op 29 april 2025 van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,00. Eiser is in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze in te dienen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.
8.5.
Met de mondelinge uitspraak van 30 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen [13] . Eiser heeft geen spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Omdat het college zich op het standpunt stelt dat eiser de last onder dwangsom heeft overtreden, is de last onder dwangsom inmiddels uitgewerkt in die zin dat eiser nu geen dwangsom meer kan verbeuren. Het doel dat eiser met schorsen van de last wil bereiken, kan daarom niet meer worden bereikt, althans hij heeft daar geen belang meer bij. Voorts heeft het college nog geen invorderingsbesluit genomen, zodat daarin ook nog geen belang bij schorsing is gelegen.
8.6.
Met het bestreden besluit 2 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit 2 onder verbetering van de motivering in stand gelaten en aangevuld. Hiertegen heeft eiser op 19 november 2025 beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen [14] . Nadat de rechtbank eiser heeft gewezen op de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 juli 2025 heeft eiser op 4 december 2025 dit verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken.
8.7.
Op 3 april 2026 heeft het college het besluit genomen dat strekt tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom van € 10.000,00 (hierna: het invorderingsbesluit). Er zijn volgens het college geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval afgezien zou moeten worden van het invorderen van de dwangsom. Eiser is verzocht om de dwangsom uiterlijk op 18 mei 2026 over te maken. Hiertegen heeft eiser op 5 mei 2026 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
HAA 25/3508 (beroep), HAA 25/5244 (beroep) en HAA 26/2520 (voorlopige voorziening)
9.1.
Op 21 april 2026 heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 op zitting behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van dit beroep tijdens de zitting aangehouden om partijen de gelegenheid te geven om tot een schikking te komen. Hierbij heeft de rechtbank het beroep met zaaknummer HAA 25/5244 en het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/2520 betrokken. In dat kader heeft het college ter zitting toegezegd dat de invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom wordt opgeschort tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 dan wel totdat partijen een schikking hebben bereikt. Dit heeft het college op 13 mei 2026 schriftelijk bevestigd aan eiser.
9.2.
Na de zitting heeft de rechtbank op 11 en 18 mei 2026 aanvullende stukken en correspondentie ontvangen van eiser, op 12 mei 2026 van derde-partij 1 en op 15 mei 2026 van het college.
9.3.
Op 19 mei 2025 is de behandeling van het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 op zitting voortgezet. Tijdens deze zitting is gebleken dat partijen niet tot een schikking konden komen. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 ter zitting aangehouden ten einde dit beroep samen met het beroep met zaaknummer HAA 25/5244 en het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/2520 op een nadere zitting inhoudelijk te kunnen behandelen.
9.4.
Na de zitting heeft de rechtbank op 21, 22 en 31 mei 2026 en 2, 3, 4 en 8 juni 2026 aanvullende correspondentie ontvangen van eiser.
9.5.
Het college heeft op 4 juni 2026, in aanvulling op de verweerschriften van
4 september 2025 en 2 april 2026, op de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
9.6.
Op 6 juni 2026 heeft eiser de rechtbank bericht dat hij de lopende machtigingen van [naam 1] en [naam 2] met ingang van vrijdag 5 juni 2026 om 18.00 uur heeft ingetrokken.
9.7.
Op 17 juni 2026 heeft eiser verzocht om uitstel van de behandeling van de zaken op de zitting van 18 juni 2026. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen.
9.8.
Op 18 juni 2026 heeft eiser de machtigingen van [naam 2] en [naam 3] (makelaar) overgelegd.
9.9.
Op 18 juni 2026 heeft de rechtbank de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening inhoudelijk behandeld op zitting. Hieraan hebben deelgenomen eiser, [naam 2] (raadgever), de gemachtigde van het college, mr. B. Nooitgedagt, derde-partij 1 en de gemachtigde van derde-partij 1. Derde-partij 2 is met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.
9.10.
Tijdens de zitting van 18 juni 2026 heeft eiser de wraking verzocht van de rechter. Met de beslissing van 24 juni 2026 [15] heeft de wrakingskamer het verzoek tot wraking van de rechter afgewezen, bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van eiser in de hoofdzaken niet in behandeling wordt genomen en beveelt dat het proces in de hoofdzaken wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
9.11.
Op 2 juli 2026 heeft de rechtbank de inhoudelijke behandeling van de beroepen en het verzoek om voorlopige voorziening op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen namens het college mr. B. Nooitgedagt, derde-partij 1 en de gemachtigde van derde-partij 1. Eiser, [naam 2] (raadgever), de gemachtigde van het college en derde-partij 2 zijn met bericht vooraf niet ter zitting verschenen.

Standpunten college

Het bestreden besluit 1 (beroep HAA 25/3508)

10.1.
Het college heeft eiser gelast om diverse zonder omgevingsvergunning geplaatste bouwwerken, aangebrachte verhardingen en beplantingen en opslag van materialen en objecten te verwijderen en verwijderd te houden van het perceel. Naar aanleiding van het in bezwaar door eiser overgelegde besluit van 8 maart 2011, heeft het college in het bestreden besluit 1 het bezwaar tegen overtreding 12 (betonnen platen bij opgang perceel) gegrond verklaard. Dat betekent dat het geschil nog gaat om 20 overtredingen en te verbeuren dwangsommen. Volgens het college zijn alle overtredingen in strijd met het bestemmingplan. Op grond van de lastgeving kan maximaal € 102.700,00 worden verbeurd. De hoogte van de dwangsom is volgens het college conform het VTH-beleid Omgevingsrecht BUCH. In dit geval heeft het college de hoogte van de te verbeuren dwangsom gebaseerd op de prijzen die een gemiddeld bedrijf zou hanteren voor het toegangshek, de brievenbus, de caravan, de stacaravan, de zeecontainer, het bouwwerk met dakconstructie van golfplaten, de witte kunststof kast, de erfafscheidingen, de overkapping met dakconstructie van golfplaten, de kas, het houten kastje, de betonnen platen, de bomen en planten en de opslag. Volgens het college is het niet mogelijk en niet wenselijk voor de genoemde overtredingen een omgevingsvergunning te verlenen. Het college maakt geen gebruik van haar bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, omdat er volgens het college geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Volgens het college maakt de door eiser benoemde levensbedreigende situatie van zijn vrouw niet dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Daarbij acht het college verder van belang dat eiser al geruime tijd op de hoogte is van het feit dat een woning op het perceel niet is en kan worden toegestaan.
Het bestreden besluit 2 (beroep HAA 25/5244)
10.2.
Het college heeft eiser gelast met onmiddellijke ingang alle werkzaamheden die betrekking hebben op de aanleg van elektriciteits- en watervoorzieningen met inbegrip van het leggen van kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur te staken en gestaakt te houden. Ook heeft het college deze aanlegwerkzaamheden stilgelegd om te voorkomen dat de strijdige situatie in ernst en omvang toeneemt en om gevaar en/of hinder te voorkomen dan wel te beperken. Indien eiser de aanlegwerkzaamheden voortzet of laat voortzetten verbeurt hij een dwangsom van € 10.000,00 ineens. Volgens het college zijn de aanlegwerkzaamheden in strijd met het bestemmingsplan en is er geen concreet zicht op legalisatie. Volgens het college laten de door eiser naar voren gebracht bijzondere omstandigheden onverlet dat voor het uitvoeren van de aanlegwerkzaamheden een omgevingsvergunning vereist is.
Het invorderingsbesluit (voorlopige voorziening HAA 26/2520)
10.3.
Het college heeft besloten over te gaan tot invordering van de verschuldigde dwangsom van € 10.000,00. Volgens het college is op 29 april 2025 door de toezichthouder geconstateerd dat eiser in overtreding is, aangezien eiser de aanlegwerkzaamheden, ondanks de opgelegde last, heeft voorgezet. Door het voortzetten van de aanlegwerkzaamheden, is de dwangsom van rechtswege verbeurd op 29 april 2025. De door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden kunnen volgens het college niet de conclusie dragen dat van invordering af moet worden gezien.

Standpunten eiser

11. Samengevat beroept eiser zich met name op de in 2021 van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de tijdelijke plaatsing van een de-mobiele seniorenwoning. Eiser stelt dat hij en zijn vrouw daarom rechtmatig op het perceel en in de stacaravan en caravan mogen verblijven. Volgens eiser hoeft hij daarom niet te beschikken over meer of andere vergunningen. Verder doet eiser een beroep op de gezondheidsproblemen van hem en zijn vrouw. Hij stelt daarbij dat zijn vrouw zelfstandig moet wonen en verwijst daarvoor naar een brief van de huisarts. Ook stelt hij dat hij niet de financiële middelen heeft om elders geschikte huisvestiging voor hem en zijn vrouw te vinden. Bovendien is dit een mooi stuk land, met eigen tuin voor eisers vrouw.

Het toetsingskader

12.1.
De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Daarbij wordt benadrukt dat de beginselplicht tot handhaving geldt voor bevoegdheden om een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom op te leggen, de herstelsancties uit de Awb. De reden voor deze beginselplicht is dat de rechtszekerheid vergt dat de feitelijke situatie in beginsel niet afwijkt van de juridisch toegestane situatie. Door middel van handhavend optreden wordt dit bereikt. Hieruit volgt het algemeen belang dat is gediend met handhaving.
12.2.
Bij de vraag of van handhavend optreden mocht worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel geldt de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [16] Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Bij handhavingsbesluiten geldt daarbij als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
12.3.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. [17]

Beoordeling door de rechtbank

13. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een overtreding?
14.1.
Ten aanzien van het bestreden besluit 1 is de rechtbank van oordeel dat de verschillende door het college genoemde overtredingen genoegzaam blijken uit de foto’s en de verslagen van de controles die op 6 juni 2024, 27 juni 2024 en 27 september 2024 zijn uitgevoerd en dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
14.2.
Ten aanzien van het bestreden besluit 2 stelt de rechtbank vast dat eiser niet in het bezit is van een omgevingsvergunning voor het verrichten van de betreffende aanlegwerkzaamheden op zijn perceel. Gelet hierop heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat sprake is van strijd met het bestemmingsplan.
14.3.
Hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 leidt niet tot een ander oordeel. Eiser beroept zich met name op de van rechtswege verleende omgevingsvergunning voor de tijdelijke plaatsing van een de-mobiele seniorenwoning. Eiser stelt dat hij en zijn vrouw daarom rechtmatig op het perceel en in de stacaravan en caravan mogen verblijven. Volgens eiser hoeft hij daarom niet te beschikken over meer of andere vergunningen. Deze beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling heeft immers met de uitspraak van 7 januari 2026 het door eiser ingediende hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank van 30 oktober 2023 bevestigd. Dat betekent dat bij de aanvang van de handhavingsprocedures en ook ten tijde van het bestreden besluit 1 en het bestreden besluit 2 geen sprake meer was van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning.
14.4.
Bovendien zag het door eiser ingediende hoger beroep slechts op het realiseren van een de-mobiele seniorenwoning. Dat betekent dat los van de uitkomst van de procedure bij de Afdeling eiser op het perceel zonder omgevingsvergunning geen overige bouwwerken mag plaatsen, geen verhardingen (anders dan bij de opgang van het perceel) en beplantingen mag aanbrengen en geen materialen en objecten mag opslaan. Datzelfde geldt ook voor het zonder omgevingsvergunning aanleggen van bovengrondse en ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatie-leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Dat Liander de aanlegwerkzaamheden feitelijk heeft verricht, doet daar niet aan af. Daarbij wil de omstandigheid, dat het college gelijktijdig met het verlenen van de van rechtswege verleende omgevingsvergunning een standplaats in de zin van de Wet BAG heeft vastgesteld en tevens een huisnummer heeft toegekend, nog niet zeggen dat er op het perceel gewoond mag worden.
14.5.
Voor zover eiser stelt dat er met het besluit van 8 maart 2011 een omgevingsvergunning voor de verharde paden en het toegangshek is verleend en dat de paaltjes met (schrik)draad gedoogd zijn, overweegt de rechtbank dat het besluit van 8 maart 2011 alleen betrekking heeft op de betonnen platen bij de opgang van het perceel en niet ziet op de andere stalen rijplaten of betonnen platen onder en voor de stacaravan. Zoals het college in het verweerschrift van 4 september 2025 heeft toegelicht, ging het in het besluit van 8 maart 2011 over het hek bij de renbaan aan de linkerkant van het perceel dat diende om de paarden gescheiden van elkaar te kunnen laten grazen. Bovendien blijkt uit de door het college overgelegde foto’s dat het gaat om erfafscheidingen van hout, palen en/of takken die in de afgelopen twee jaar zijn geplaatst. Het is niet mogelijk dat het besluit van 8 maart 2011 ziet op zaken die er destijds nog niet stonden. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook voldoende vast komen te staan dat het bestreden besluit onder overtreding 1 en 8 ziet op andere hekwerken/erfafscheidingen dan die genoemd zijn in het besluit van 8 maart 2011.
14.6.
Tot slot overweegt de rechtbank dat de dammen en de duikers waar eiser naar verwijst geen onderdeel uitmaken van de opgelegde last.
Beginselplicht tot handhaving
15.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [18] volstaat in beginsel het enkele feit dat het college niet bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van het bestemmingsplan voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering aanwezig is.
15.2.
In het bestreden besluit 1 heeft het college zich op het standpunt heeft gesteld dat zij geen gebruik wil maken van haar bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan, omdat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank stelt vast dat eiser hiertegen geen gronden heeft aangevoerd. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat er voor wat betreft het betreden besluit 1 geen concreet zicht op legalisatie is.
15.3.
Ten aanzien van het bestreden besluit 2 stelt de rechtbank vast dat eiser geen omgevingsvergunning heeft aangevraagd voor het verrichten of laten verrichten van de betreffende aanlegwerkzaamheden. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat er voor wat betreft het betreden besluit 2 ook geen concreet zicht op legalisatie is.
Is handhaving onevenredig?
16.1.
De rechtbank stelt vast dat het college oog heeft voor de psychische en lichamelijke gezondheidsproblemen van eiser en zijn vrouw en ook probeert bij te dragen aan een permanente oplossing voor het huisvestingsprobleem van eiser en zijn vrouw. Zoals het college onder meer heeft toegelicht in het verweerschrift van 4 juni 2026 zijn er diverse gesprekken met eiser gevoerd om ervoor te zorgen dat eiser zich ervan bewust is dat hij en zijn vrouw niet mogen wonen op het perceel. Een sociaal team WMO van de gemeente heeft al geruime tijd contact met eiser en heeft ervoor gezorgd dat de vrouw van eiser tijdelijk in [naam respijtzorg] (respijtzorg) kon verblijven en er is ambulante zorg geboden. Verder heeft het college op 9 september 2025 een huisvestingsindicatie verleend aan de vrouw van eiser, geldig tot en met 8 september 2026, en heeft het college op 16 april 2026 aan eiser een urgentieverklaring verleend op grond van de hardheidsclausule, geldig tot en met 15 oktober 2026. Daarnaast worden eiser en zijn vrouw door een senior consulent urgente woonzaken van de gemeente persoonlijk begeleid bij het zoeken naar een woning. Ook heeft het college aangeboden om eiser te helpen met andere hulpvragen op andere leefgebieden. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat het college voldoende invulling heeft gegeven aan de zorgplicht.
16.2.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er geen concreet zicht is op legalisatie en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die ertoe hadden moeten leiden dat het college af zou zien van handhaving. Het college heeft de belangen van eiser en zijn vrouw voldoende in acht genomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is.
Is de dwangsom te hoog?
17. Voor zover eiser stelt dat de dwangsommen disproportioneel zijn en dat zijn financiën gering zijn, overweegt de rechtbank dat een last onder dwangsom een afschrikwekkende werking dient te hebben. De hoogte van de dwangsom moet een voldoende prikkel zijn voor de overtreder om de overtreding te staken. Weliswaar is het totaalbedrag aan dwangsommen hoog, maar het college heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd hoe tot de individuele bedragen is gekomen en dat dit conform beleid is. De gronden die eiser hiertegen heeft aangevoerd leiden niet tot een ander oordeel.
Mocht het college overgaan tot invordering van de dwangsom van € 10.000,00?
18. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser de aanlegwerkzaamheden, ondanks de opgelegde last, heeft voorgezet. Door het voortzetten van de aanlegwerkzaamheden, is de dwangsom van rechtswege verbeurd op 29 april 2025. De rechtbank is met het college van oordeel dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan in dit geval afgezien zou moeten worden van het invorderen van deze dwangsom.
Overige gronden
19. Voor de overige door eiser aangevoerde gronden ziet de rechtbank af van een verdere inhoudelijke bespreking. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser veel van de overige gronden ook heeft aangevoerd bij de Afdeling in de procedure over de van rechtswege verleende omgevingsvergunning. Over deze gronden heeft de Afdeling in de uitspraak van 7 januari 2026 reeds geoordeeld en de rechtbank ziet in hetgeen eiser in onderhavige zaken heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor een ander oordeel. Ten aanzien van de andere gronden die eiser nog heeft aangevoerd, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de bestreden besluiten heeft kunnen komen.

Conclusie en gevolgen

20. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser niet in het bezit is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning, dat eiser in strijd met het bestemmingsplan meerdere overtredingen heeft begaan en daarnaast aanlegwerkzaamheden heeft verricht zonder in het bezit te zijn van een omgevingsvergunning, dat legalisatie niet aan de orde is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die ertoe hadden moeten leiden dat het college af zou zien van handhaving. Dat betekent dat het college beide lasten onder dwangsom heeft kunnen opleggen. Verder is de rechtbank van oordeel dat het college kon overgaan tot invordering van de van rechtswege verbeurde dwangsom
.Eiser krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn ongegrond. Omdat de beroepen ongegrond zijn, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer HAA 25/3508 ongegrond;
  • verklaart het beroep met zaaknummer HAA 25/5244 ongegrond; en
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer HAA 26/2520 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van
drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over de beroepen, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over de beroepen. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
5.Wet basisregistraties adressen en gebouwen.
7.Zie artikel 19, eerste lid, onder c, en vierde lid, onder a, van de Wet BAG.
9.Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer HAA 25/4029.
14.Dit verzoek om voorlopige voorziening is geregistreerd onder zaaknummer HAA 25/5265.
15.Dit wrakingsverzoek is geregistreerd onder zaaknummer C/15/379238 HA RK 26-135.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
17.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:678).
18.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:622).