In deze zaak vordert eiser [A] dat Aegon wordt veroordeeld wegens onrechtmatig handelen bij het aangaan van een aandelenleaseovereenkomst. [A] sloot in 2001 een effectenleaseovereenkomst met Aegon, die in 2003 voortijdig werd beëindigd met een restschuld. [A] stelt dat Aegon onvoldoende heeft gewaarschuwd voor de risico's en tekortkomingen van het product en haar zorgplicht heeft geschonden.
De rechtbank stelt vast dat Aegon niet heeft voldaan aan haar dubbele zorgplicht: zij heeft nagelaten indringend te waarschuwen voor het restschuldrisico en heeft geen onderzoek gedaan naar de financiële situatie van [A]. Dit leidt tot toerekenbare onrechtmatigheid jegens [A]. Daarnaast wordt geoordeeld dat de tussenpersoon Verzekerd Spaarplan Nederland niet als adviseur kon optreden zonder vergunning, maar dat onvoldoende is gebleken dat deze daadwerkelijk beleggingsadvies heeft gegeven.
De rechtbank wijst het boetebeding in de overeenkomst af als oneerlijk en bepaalt dat Aegon een bedrag van € 3.473,14 aan [A] moet vergoeden, vermeerderd met wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen. Aegon wordt veroordeeld in de proceskosten.