Conclusie
1.Inleiding, feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
[De T.]/Dexia,
Levob/[B]en
Stichting GeSp/Aegonenkele algemene lijnen heeft getrokken met betrekking tot de door de aanbieder van effectenleaseproducten in acht te nemen zorgplicht en de afwikkeling van de schade als gevolg van schending van die zorgplicht. [2] Nu de financieel nadelige gevolgen mede het gevolg zijn van aan de afnemer toe te rekenen omstandigheden, wordt de schadevergoedingsplicht van de aanbieder verminderd op grond van eigen schuld. Uw Raad oordeelde in
[De T.]/Dexiaals volgt:
Dexia/[Van der H.]formuleerde het hof Amsterdam de volgende vuistregels:
[Van der H.]/Dexia, van het hof Amsterdam is cassatieberoep ingesteld. De door het hof Amsterdam geformuleerde uitgangspunten zijn door Uw Raad gesanctioneerd in twee arresten van 29 april 2011. [5] Uw Raad overwoog in
[Van der H.]/Dexiain rov. 4.1.2:
[C]/Dexiaen
Dexia/[D]. [6]
Ook voor een werknemer die onder de Ziekenfondswet viel, gold dat de procentuele premies ziektekostenverzekering door de werkgever werden afgedragen. Het grootste deel van die premie werd door de werkgever betaald. Een kleiner deel werd op het loon van de werknemer ingehouden. Het werkgeversaandeel in die procentuele premie werd echter wel tot het loon van de werknemer gerekend en is dus begrepen in het fiscale loon volgens het biljet van proces. Een werknemer betaalde uit hetgeen hij netto ontving wel zelf de nominale premie en een premie voor een eventueel vrijwillig afgesloten aanvullende verzekering.
Een zelfde redenering gaat op voor personen zoals [gedaagde partij], van wie het inkomen boven de ziekenfondsgrens uitkwam. Voor deze werknemers werden geen procentuele premies ziektekostenverzekering afgedragen. Deze personen dienden zich particulier te verzekeren. Alhoewel het hier geen verplichte verzekering betrof, was het gelet op de aanzienlijke risico’s noodzakelijk een dergelijke verzekering af te sluiten. Het ligt daarom voor de hand om ook deze particuliere premies in mindering te brengen op het fiscale loon, omdat de ter zake betaalde bedragen niet vrij besteedbaar waren. Op het in mindering te brengen bedrag dient nog wel een correctie plaats te vinden, omdat deze personen geen nominale premie en premies voor aanvullende verzekeringen dienden te betalen, die wel zijn voorzien in de NIBUD-norm. De kantonrechter schat deze bedragen per persoon op € 20,00 per maand met een maximum van twee personen. Voor [gedaagde partij] en zijn partner geldt dat daarom niet moet worden uitgegaan van het door hem opgegeven netto maandbedrag van € 228,97, maar van €188,97 (€ 228,97 – € 40,00). Anders dan waarvan [gedaagde partij] uitgaat, zal de kantonrechter met dit bedrag van € 188,97 rekening houden bij de hoogte van de factor X. De factor X bedraagt daarom niet € 2.504,32 (zie rechtsoverweging 4.25.) maar € 2.315,35 en de factor D bedraagt 0.