Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 december 2025 in de zaak tussen
[plaats], gezamenlijk aangeduid als verzoekers
Rechtbank Noord-Nederland
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordenveld legde op 3 februari 2025 acht lasten onder dwangsom op aan de eigenaar van een perceel vanwege bewoning van diverse bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. Verzoekers, bewoners van het perceel, maakten bezwaar en stelden beroep in tegen dit besluit. Zij vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek ontvankelijk was en dat verzoekers belanghebbenden zijn, ook degenen die inmiddels zijn verhuisd maar willen terugkeren. De rechter stelde vast dat het college bevoegd is tot handhaving en dat handhaving het uitgangspunt is, tenzij bijzondere omstandigheden dit onredelijk maken.
Verzoekers voerden aan dat er concreet zicht op legalisatie was, dat het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel waren geschonden, dat het college onvoldoende rekening hield met hun belangen en dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd overtreden. De voorzieningenrechter verwierp deze gronden, onder meer omdat het college niet bereid was de omgevingsvergunning te verlenen, verzoekers geen aannemelijke toezegging konden tonen, de situaties niet vergelijkbaar waren, en het college voldoende rekening had gehouden met belangen en overleg had gevoerd.
Ook het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat geen sprake was van een aan het college toe te rekenen onrechtmatigheid. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding tot kortsluiting en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, waarmee het handhavingsbesluit voorlopig in stand blijft.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de lasten onder dwangsom wordt afgewezen.