Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [plaats], eiser
Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut
Samenvatting
Procesverloop
Eiser is ook eigenaar en verhuurder van elf panden op verschillende adressen in Groningen. [1]
Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. In het bestreden besluit van 16 april 2025 is het Instituut bij de toegekende schadevergoeding gebleven. Daarbij is uitgelegd dat binnen de regeling IMS alleen wordt gekeken naar adressen waar eiser vanaf 16 augustus 2012 tot de indiening van de aanvraag heeft gewoond. Daarom zijn eisers elf verhuurpanden in Groningen niet meegenomen in de beoordeling.
In artikel 4.6, eerste lid, van de Procedure en werkwijze is vermeld dat voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was, betrekt. In dat artikellid is vermeld dat er een lichte aanwijzing (1) geldt als de som van de afhandelingsduur twee tot vier jaar is en een aanwijzing (2) als die duur vier tot zes jaar is. Een en ander heeft zich in eisers geval vertaald in de volgende beoordeling van de immateriële schade:
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr.R.A. Schaapsmeerders, griffier.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
1. Voor wat betreft de duur van de procedure(s) tot afhandeling van de fysieke schade betrekt het Instituut de som van de afhandelingsduur van alle procedures tot afhandeling van fysieke schade aan de woning(en) op de adressen waarop de aanvrager op het moment van die afhandeling woonachtig was. Daarbij onderscheidt het Instituut de volgende vijf situaties en de daarbij behorende aanwijzing voor een persoonsaantasting:
Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de NAM of het CVW, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de schademelding en de uitbetaling van de schadevergoeding.
3. Voor zover de afhandeling van de fysieke schade is uitgevoerd door de TCMG of het IMG, wordt de afhandelingsduur bepaald aan de hand van het tijdsverloop tussen de datum van de aanvraag tot schadevergoeding en de datum waarop het besluit op de aanvraag is genomen. In geval van bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures die gegrond zijn bevonden, worden de termijnen waarbinnen de afhandeling heeft plaatsgevonden bij elkaar opgeteld om de totale afhandelingsduur van de schademelding te bepalen.
4. Bij het bepalen van de som van de afhandelingsduur als bedoeld in het eerste lid, kan het Instituut rekening houden met de termijn waarbinnen de afhandeling van de procedure(s) op verzoek van de aanvrager is opgeschort of anderszins te wijten is aan omstandigheden die redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager dienen te worden gelaten.