ECLI:NL:RBNNE:2026:2619

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
11997560 / EL25-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 NR 1999Art. 7 Wte 1995Art. 12 Vrijstellingsregeling Wte 1995Art. 195 RvArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige daad en schending zorgplicht door effecteninstelling bij effectenleaseovereenkomst

Eisers sloten een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij zij een tweede hypotheek afsloten en een bedrag vooruitbetaalden voor het Capital Effect product. Eisers stelden dat Dexia haar waarschuwingsplicht en informatieverplichting had geschonden en onrechtmatig had gehandeld door het accepteren van cliënten via een niet-vergunde cliëntenremisier die tevens beleggingsadvies gaf.

De rechtbank oordeelde dat Dexia haar zorgplicht had geschonden en dat Thuisadvies haar vrijstelling te buiten was gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen. Dexia wist of behoorde te weten dat Thuisadvies als beleggingsadviseur optrad zonder vergunning, waardoor Dexia onrechtmatig handelde volgens artikel 41 NR Pro 1999.

De rechtbank wees de vorderingen van eisers toe, waarbij Dexia werd veroordeeld tot vergoeding van de door eisers betaalde inleg minus ontvangen dividenden, fiscaal voordeel en opbrengst eindafrekening, totaal €3.224,86, vermeerderd met wettelijke rente. De proceskosten werden eveneens aan eisers toegewezen. De incidentele vordering van Dexia werd afgewezen en Dexia werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens eisers en wordt veroordeeld tot schadevergoeding van €3.224,86 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: 11997560 \ EL EXPL 25-22
Vonnis van 26 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser sub 1]

2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces) te Amsterdam,
tegen
DEXIA NEDERLAND B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V. te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 26 november 2025,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie,
- de conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie,
- de conclusie van dupliek in conventie, tevens conclusie van repliek in reconventie,
- de conclusie van dupliek in reconventie, tevens akte uitlating producties in conventie,
- de akte uitlaten producties zijdens Dexia,
- de bij de stukken gevoegde producties.
1.2.
Ten slotte is vonnis (nader) bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[eisers] hebben een leaseovereenkomst met (de rechtsvoorgangster van) Dexia gesloten (hierna te noemen ‘de overeenkomst’). Het betreft de volgende overeenkomst:
Nr.
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
I.
[nummer]
08-05-2002
Capital Effect (180)
2.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Nr.
Datum eindafrekening
Resultaat
Betaald
I.
02-05-2007
€ 1.570,56
Ja
2.3.
Volgens opgave van Dexia (productie 1 bij conclusie van antwoord en van eis in reconventie) hebben [eisers] op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 9.649,80 aan Dexia betaald. Volgens diezelfde opgave hebben [eisers] € 2.091,85 aan dividenden ontvangen en € 614,92 aan fiscaal voordeel genoten. In het financieel overzicht is opgenomen dat Dexia op 11 december 2024 een uitkering van € 4.781,68 aan [eisers] heeft betaald, bestaande uit een nominaal bedrag van € 2.147,61 en een bedrag van € 2.634,07 aan rente.
2.4.
Voorheen hebben Dexia en mevrouw [eiser sub 2] een overeenkomst van effectenlease gesloten met contractnummer [nummer] .
2.5.
De gemachtigde van [eisers] heeft bij brief van 19 maart 2007 de nietigheid, vernietiging, dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen op grond van misbruik van omstandigheden, wanprestatie, dwaling, onrechtmatige daad en/of misleidende reclame. Tevens wordt het recht voorbehouden daartoe ook andere gronden nog aan te voeren.

3.De vordering en het verweer in conventie en in reconventie

3.1.
[eisers] vorderen dan wel verzoeken (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
  • voor recht zal verklaren dat [eisers] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
  • Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eisers] van al datgene dat [eisers] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomsten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eisers] , met rente,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
3.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen. Het verweer mondt uit in een (deels voorwaardelijke) tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia voor genoemde overeenkomsten niets meer aan [eisers] verschuldigd is,
  • [eisers] ex artikel 195 Rv Pro zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend,
  • [eisers] zal veroordelen in de proceskosten, met rente.
3.3.
Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
in conventie
Aanhoudingsverzoek
4.1.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
4.2.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
Schending zorgplicht
4.3.
[eisers] verwijten Dexia in de eerste plaats dat zij haar waarschuwingsplicht heeft geschonden. Dexia heeft dat als zodanig niet weersproken, maar beroept zich op eigen schuld. Zoals hieronder zal blijken, slaagt het beroep van Dexia op eigen schuld niet. Dit betekent dat vast staat dat Dexia haar zorgplicht heeft geschonden. [eisers] verwijten Dexia voorts dat zij haar informatieverplichting heeft geschonden. Gelet op het feit dat de schending van de bijzondere zorgplicht door Dexia al vast staat, zal de kantonrechter dit verwijt onbesproken laten.
Schending artikel 41 NR Pro 1999
4.4.
[eisers] stellen voorts, verkort weergegeven, dat Dexia onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld door hen als cliënt te accepteren via Thuisadvies , terwijl het Thuisadvies als cliëntenremisier zonder vergunning ex artikel 7 Wet Pro toezicht effectenverkeer 1995 (hierna: Wte 1995) niet was toegestaan om [eisers] te adviseren om een effectenleaseovereenkomst met Dexia aan te gaan en Dexia dit wist, althans dit behoorde te weten. Dexia heeft deze stelling gemotiveerd betwist.
4.5.
De kantonrechter stelt bij de beoordeling het volgende voorop. In 2016 heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 2 september 2016 (Beckers/Dexia, ECLI:NL:HR:2016:2012) onder meer geoordeeld, samengevat weergegeven, dat indien een cliëntenremisier zich niet beperkt tot het aanbrengen van potentiële cliënten bij een beleggingsinstelling of effecteninstelling, maar hij die belegger tevens in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf adviseert, de aldus handelende cliëntenremisier over een vergunning dient te beschikken. Indien de cliëntenremisier geen vergunning heeft en zich niet heeft beperkt tot het aanbrengen van de cliënt, maar ook jegens de afnemer als financieel adviseur is opgetreden en Dexia hiervan op de hoogte was of behoorde te zijn, schendt Dexia niet alleen haar zorgplicht, maar handelt zij ook in strijd met artikel 41 NR Pro 1999. Dit levert volgens de Hoge Raad een (extra) onrechtmatigheidsgrond op, die Dexia zwaar wordt aangerekend. Dit komt doordat een cliënt die is geadviseerd door een dienstverlener (beleggingsadviseur) minder snel bedacht hoeft te zijn op en zich minder snel uit eigen beweging hoeft te verdiepen in niet vermelde risico's dan degene die zich wendt tot een aanbieder van een effectenleaseproduct. De Hoge Raad oordeelt daarnaast dat niet hoeft te worden aangetoond dat Dexia wist of behoorde te weten dat de cliëntenremisier niet over een vergunning beschikte toen zij ten opzichte van de belegger mede als beleggingsadviseur optrad. Dexia moet als professionele effecteninstelling (geacht worden te) weten dat een cliëntenremisier die tevens adviseert, de grenzen van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Pro Wte 1995 overschrijdt. Daarom lag het ook op haar weg om, als zij wist of behoorde te weten dat Thuisadvies mede in de hoedanigheid van beleggingsadviseur was opgetreden, te onderzoeken of Thuisadvies over de daartoe benodigde vergunning beschikte. Indien daarvan geen sprake was had Dexia moeten weigeren met de particuliere belegger te contracteren. In zijn arrest van 12 oktober 2018 (Timmermans/Dexia, ECLI:NL:HR:2018:1935) en van 10 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:862) bevestigt de Hoge Raad het voorgaande nogmaals uitdrukkelijk.
4.6.
In voornoemd arrest van 10 juni 2022 heeft de Hoge Raad voorts geoordeeld dat de reikwijdte van de vrijstelling van artikel 12 Vrijstellingsregeling Pro Wte 1995 als volgt dient te worden bepaald:
- een tussenpersoon gaat de reikwijdte van de vrijstelling te buiten indien hij een bepaalde afnemer het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst of een ander specifiek financieel product aanbeveelt;
- het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, dat wil zeggen dat zij voorgesteld is als geschikt voor deze afnemer, of berust op een afweging van de persoonlijke omstandigheden van de afnemer;
- het moet gaan om een aanbeveling die de tussenpersoon doet in het kader van zijn beroep of bedrijf; daarvan kan ook sprake zijn als de tussenpersoon een dergelijke aanbeveling slechts incidenteel of zelfs eenmalig doet;
- geen vergunning behoeft de tussenpersoon voor het verstrekken van algemene informatie over wat effectenleaseovereenkomsten zijn, en evenmin voor het verstrekken van algemeen advies (waarbij in algemene zin wordt aangeraden een, verder op geen enkele wijze nader bepaalde, effectenleaseovereenkomst te sluiten);
- uit de enkele omstandigheid dat een tussenpersoon met de afnemer een aanvraagformulier invult, waarbij in voorkomende gevallen een fondskeuze aangekruist wordt, en dit opstuurt, volgt niet dat de tussenpersoon heeft geadviseerd.
4.7.
Voor de beoordeling of de tussenpersoon een gepersonaliseerde aanbeveling tot het aangaan van een specifieke effectenleaseovereenkomst heeft gedaan, kunnen volgens de Hoge Raad de volgende omstandigheden van belang zijn:
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet heeft geïnformeerd naar de financiële omstandigheden en financiële doelen van de afnemer;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet ook andere mogelijke effectenleaseproducten heeft genoemd en besproken dan het uiteindelijk afgenomen product;
- de omstandigheid dat de tussenpersoon al dan niet, naast of in samenhang met het afgenomen effectenleaseproduct, een ander financieel product, zoals een hypothecaire lening, heeft geadviseerd.
4.8.
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad geoordeeld dat, ook indien voornoemde omstandigheden niet worden vastgesteld, de mogelijkheid bestaat dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als hiervoor genoemd, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer.
4.9.
Met inachtneming van het vorenstaande overweegt de kantonrechter als volgt. Niet in geschil is dat Thuisadvies is opgetreden als effectenbemiddelaar. Een effectenbemiddelaar die mogelijke cliënten aanbrengt bij een effecteninstelling wordt ook cliëntenremisier genoemd. Cliëntenremisiers zoals Thuisadvies waren uit hoofde van artikel 12 van Pro de Vrijstellingsregeling Wte 1995 vrijgesteld van de vergunningplicht van artikel 7 lid 1 Wte Pro 1995, om cliënten aan te brengen bij een effecteninstelling als Dexia. Op grond van artikel 21 lid 1 Wte Pro 1995 moesten effectenbemiddelaars die van de vergunningplicht waren vrijgesteld, worden ingeschreven in het in dit artikel genoemde register. Voornoemde vrijstelling was slechts beperkt tot werkzaamheden als cliëntenremisier. De effecteninstelling die wist of behoorde te weten dat een cliëntenremisier een aangebrachte belegger vergunningplichtige diensten heeft verleend zonder over de noodzakelijke vergunning te beschikken en deze belegger niettemin als cliënt accepteert, handelt in strijd met artikel 41 NR Pro 1999 en daarmee onrechtmatig jegens die belegger.
4.10.
De kantonrechter zal voor het antwoord op de vraag of sprake is van schending van artikel 41 NR Pro 1999 dienen te beoordelen of Thuisadvies haar vrijstelling te buiten is gegaan en vergunningplichtige diensten heeft verleend, alsmede of Dexia dit wist of behoorde te weten. Vast staat tussen partijen dat Thuisadvies niet over een vergunning ex artikel 7 lid 1 Wte Pro 1995 beschikte.
4.11.
[eisers] stellen over de feitelijke gang van zaken het volgende:
[eisers] werden door Thuisadvies telefonisch benaderd. De medewerker van Thuisadvies stelde voor om een afspraak te maken voor een huisbezoek om de financiële situatie van [eisers] door te nemen met een financieel adviseur van Thuisadvies . [eisers] hebben hiermee ingestemd. Vervolgens heeft een thuisbezoek plaatsgevonden waarbij [eisers] aanwezig waren.
Tijdens het huisbezoek heeft de adviseur van Thuisadvies geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van [eisers] Zo is met de adviseur gesproken over het werk, het inkomen en de hypotheeksituatie van [eisers] In het bijzonder is daarbij gesproken over de functie bij het [werkgever] van [eiser sub 1] en de huidige hypotheekvoorwaarden op de gemeenschappelijke woning van [eisers] Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van [eisers] om de huidige hypotheek mogelijk eerder af te lossen of om lagere hypotheeklasten te bewerkstelligen. De adviseur heeft de hypotheekvoorwaarden met [eisers] doorgenomen en heeft geconcludeerd dat deze best goed waren. Daarbij kwam wel op dat er sprake was van een forse overwaarde op de woning van [eisers] In dat kader is de wens van [eisers] opgekomen om die overwaarde op de woning van [eisers] te benutten. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat hij hier een geschikt product voor wist.
Het advies van de adviseur was meerledig. Ten eerst adviseerde de adviseur aan [eisers] om een tweede hypothecaire lening af te sluiten van ongeveer € 50.000,00 ter grootte van de geschatte overwaarde. Op deze wijze zou de overwaarde vrijkomen, welke vervolgens kon worden gebruikt om een mooi rendement te behalen via beleggingen. Onderdeel van deze beleggingen was een Capital Effect product bij Bank Labouchere. [eisers] diende hiervoor een deel van de vrijgekomen overwaarde aan te wenden voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. Het overige deel van de vrijgekomen overwaarde zou worden verdeeld over een aandelenproduct van AEGON en een storting op een aparte beleggingsrekening. Volgens de adviseur zouden [eisers] op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor [eisers] de tweede hypothecaire lening weer konden aflossen en bovendien sneller de originele hypothecaire lening konden aflossen. De adviseur hield [eisers] voor dat dit kon tegen gelijke of zelfs lagere maandlasten, dan de lasten die nu werden betaald. Hij zou een en ander op papier zetten.
De adviseur heeft vervolgens een financieel plan opgesteld, waarin specifiek het Capital Effect product aan [eisers] werd aangeraden waarbij de aandelenfondsen Ahold, ING, Kon.Olie en Unilever apart werden genoemd. Dit plan heeft hij in een tweede gesprek toegelicht. In dit persoonlijk financieel plan heeft de adviseur toegelicht en op papier gezet op welke wijze kon worden bereikt dat de hypotheek werd verhoogd, maar de maandlasten toch werden verlaagd. De adviseur adviseerde [eisers] om de huidige hypotheek (groot EUR 101.183,-) te verhogen tot EUR 151.193,-. Een bedrag van ongeveer EUR 45.000,- kon vervolgens worden aangewend voor verschillende beleggingen. Daarbij werd een bedrag van EUR 9.650,- aangemerkt voor de vooruitbetaling van het Capital Effect product. Verder werd een bedrag van EUR 22.000,- aangemerkt voor het AEGON aandelenproduct en EUR 12.000,- aangemerkt voor de beleggingsrekening. Het overige deel was bestemd als buffer voor de hypotheekrente en voor de hypotheekkosten. Volgens het financieel plan zouden de netto maandlasten van [eisers] dalen van EUR 398,- naar EUR 295,-. Tegelijkertijd zouden [eisers] vermogen opbouwen waarmee [eisers] de extra opgenomen hypotheek weer konden aflossen en er alsnog een aanzienlijk kapitaal zou resteren. De adviseur heeft [eisers] niet geïnformeerd over de specifieke risico's van dit product. Zo heeft hij er niet op gewezen dat met de inleg de rentelasten voor een lening (de effectenleasecontracten) werden betaald, dat bij tegenvallende koersontwikkelingen de inleg geheel verloren kon gaan en dat er bovendien een restschuld kon ontstaan uit hoofde van het effectenleasecontract. [eisers] hadden geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en hebben het advies van de adviseur opgevolgd. De aanvraag van het Capital Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment door de adviseur langsgebracht bij [eisers] thuis. Na ondertekening heeft de adviseur zorggedragen voor retournering aan Bank Labouchere. De hypotheek is via een tweede hypothecaire lening bij Nationale Nederlanden verhoogd en er is voor EUR 9.649,80 aan inleg vooruitbetaald voor het effectenleasecontract van Bank Labouchere.
4.12.
Dexia betwist dat deze feiten, voor zover al juist, leiden tot de conclusie dat Thuisadvies verstrekkender heeft geadviseerd dan haar op grond van haar vrijstelling was toegestaan.
4.13.
De kantonrechter overweegt dat uit productie D bij inleidende dagvaarding volgt dat [eisers] een tweede hypotheek hebben afgesloten bij Nationale Nederlanden van EUR 50.000,-. Dat komt overeen met hetgeen de adviseur volgens [eisers] zou hebben voorgesteld. Vast staat ook dat Thuisadvies op de overeenkomst staat vermeld. Niet weersproken is dat de adviseur de hypotheekaanvraag namens [eisers] heeft verzorgd. Hieruit kan worden afgeleid dat het kennelijk de adviseur is geweest die [eisers] heeft voorgesteld om de overwaarde van hun woning te benutten. De datum waarop de hypotheek is gevestigd (6 juni 2022) volgt bovendien vrij kort op de datum waarop de overeenkomst is gesloten (10 mei 2022). Voorts heeft [eisers] stukken in het geding gebracht, waaruit - goed en wel - volgt dat Thuisadvies zich heeft toegelegd op het geven van financieel advies (producties E en F bij dagvaarding). Ook slaat de kantonrechter er uitdrukkelijk acht op dat [eisers] een bedrag vooruit hebben betaald onder de overeenkomst, welk bedrag nagenoeg overeenkomt met het bedrag dat de adviseur volgens [eisers] heeft voorgesteld. Bij een dergelijke constellatie van feiten, voorzien van de nodige stukken, acht de kantonrechter het niet aannemelijk geworden dat er geen huisbezoek zou hebben plaatsgevonden, een stelling die Dexia ingang wenst te doen vinden, en - belangrijker nog - dat er in het geheel geen op de persoon gericht advies is verstrekt door Thuisadvies , gericht op het sluiten van de overeenkomst. Gelet op de onderbouwde stellingen van [eisers] had het op de weg van Dexia gelegen om haar betwistingen nader te substantiëren en omstandigheden aan te voeren waaruit zou kunnen blijken dat er geen gesprek is gevoerd of dat er geen op de persoon toegespitst advies is gegeven en opgevolgd. Dit heeft Dexia nagelaten. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting komt de kantonrechter daarom niet toe aan het (tegen)bewijsaanbod van Dexia.
4.14.
Dexia heeft voorts nog (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van de afnemer op zijn woord wordt geloofd;
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering door de tussenpersoon;
  • dat Dexia door het extreme tijdsverloop onredelijk is benadeeld in haar mogelijkheden om (tegen)bewijs te leveren;
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en ondervragingsplicht rust, en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
4.15.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eisers] onderbouwd hebben gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [1] [2] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in hun geval hebben [eisers] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eisers] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomsten dan wel tot stand waren gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eisers] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Verder moet het Dexia, mede gezien de WCAM procedure en de verwijten die haar daarin werden gemaakt, duidelijk zijn geweest tegen welke (toekomstige) vordering van [eisers] zij zich zou moeten verdedigen, voor welke schendingen en op welke grondslagen, zodat de kantonrechter Dexia niet volgt in de stelling dat zij door het extreme tijdsverloop onredelijk is benadeeld. Dat de gemachtigde van [eisers] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door de afnemer beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen [eisers] en de adviseur van de tussenpersoon, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals [eisers] en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of ondervragingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
Wetenschap Dexia
4.16.
Dexia heeft voorts betwist dat zij wist of moest weten dat Thuisadvies beleggingsadvies gaf, dat mede inhield een effectenleaseovereenkomst met Dexia te sluiten. De kantonrechter overweegt omtrent de wetenschap van Dexia als volgt.
4.17.
In vergelijkbare zaken bij deze rechtbank, waaronder een vonnis van 24 juni 2020 (Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, ECLI:NL:RBNNE:2020:2219), alsmede in vergelijkbare zaken bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waaronder de arresten van 3 november 2020 (bijvoorbeeld ECLI:NL:GHARL:2020:8984), is wetenschap bij Dexia aangenomen in zaken waarin onder meer Spaar Select heeft geadviseerd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft zijn oordeel bevestigd in een recent arrest van 5 juli 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:5730). De kantonrechter is van oordeel dat die overwegingen over de wetenschap van Dexia ook hier van toepassing zijn (zie onder meer rechtsoverwegingen 5.28 en 5.29 van het vonnis van 24 juni 2020). Hetgeen Dexia in deze procedure overigens nog heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat Dexia wist en in ieder geval had behoren te weten dat er vergunningplichtig advies werd gegeven.
4.18.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Thuisadvies haar vrijstelling te buiten is gegaan door vergunningplichtige diensten te verlenen in de vorm van beleggingsadvies en dat Dexia daarvan wist, althans behoorde te weten. Het had daarom op de weg van Dexia gelegen om bij de totstandkoming van de onderhavige effectenleaseovereenkomst te verifiëren of zij die kon en mocht aangaan. Door de overeenkomst met [eisers] te sluiten in plaats van te weigeren, heeft Dexia haar verplichtingen ingevolge artikel 41 NR Pro 1999 geschonden.
Onrechtmatige daad
4.19.
Concluderend is de kantonrechter van oordeel dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR Pro 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht). De gevorderde verklaring voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld acht de kantonrechter daarom toewijsbaar.
Schade
4.20.
Het voorgaande brengt naar het oordeel van de kantonrechter met zich dat Dexia de door [eisers] gevorderde schade, bestaande uit de inleg in de overeenkomst volledig dient te vergoeden. Weliswaar zijn aan [eisers] omstandigheden toerekenbaar die tot hun schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft (zie onder meer voornoemde arresten Beckers/Dexia en Timmermans/Dexia). Verder kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van de afnemer te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. Er is geen aanleiding om af te wijken van het hierboven genoemde uitgangspunt. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
4.21.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat [eisers] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden toewijsbaar is.
Verrekening voordelen
4.22.
Volgens Dexia dient bij het vaststellen van de voor vergoeding in aanmerking komende schade rekening te worden gehouden met de voordelen die [eisers] hebben genoten. Onder verwijzing naar het financieel overzicht (productie 1 bij conclusie van antwoord) stelt Dexia dat [eisers] , naast een bedrag van € 2.091,85 aan ontvangen dividend, een bedrag van € 614,92 aan fiscaal voordeel heeft genoten.
4.23.
Partijen zijn het erover eens dat daadwerkelijk genoten voordeel op de door [eisers] geleden schade in mindering mag worden gebracht. Dit betekent dat door [eisers] ontvangen dividend op de gevorderde schadevergoeding in mindering mag worden gebracht. Ook zijn partijen het erover eens dat [eisers] een fiscaal voordeel van € 614,92 hebben genoten en dat de opbrengst van de eindafrekening (€ 1.570,56) in mindering mag worden gebracht.
4.24.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde vergoeding van al hetgeen [eisers] aan Dexia heeft betaald, zal worden toegewezen, verminderd met dividenduitkeringen, fiscaal voordeel en opbrengst van de eindafrekening, te weten:
  • Betaalde inleg € 9.649,80
  • Totaal door [eisers] betaald € 9.649,80
  • Dividenduitkeringen € 2.091,85
  • Opbrengst eindafrekening € 1.570,56
  • Fiscaal voordeel
Totale schade [eisers] € 5.372,47
Partijen zijn het er tevens over eens dat Dexia reeds een (nominale) vergoeding van € 2.147,61 aan [eisers] heeft betaald die op de schade in mindering dient te komen (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910).
Aldus zal een bedrag van € 3.224,86 worden toegewezen. De door [eisers] gevorderde wettelijke rente over de geleden schade, telkens vanaf de dag dat [eisers] aan Dexia heeft betaald, acht de kantonrechter ook toewijsbaar (zie het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1198). De door [eisers] gevorderde voldoening van voornoemde bedragen binnen drie weken na betekening van dit vonnis zal als niet betwist eveneens worden toegewezen.
Buitengerechtelijke kosten
4.25.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI: NL:HR:2019:590.
Proceskosten
4.26.
Dexia zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld, waarbij aansluiting wordt gezocht bij het toe te wijzen bedrag. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 257,00
- salaris gemachtigde
€ 632,50 (2,5 punten x € 253,00) +
Totaal € 1.033,97
De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald, met inachtneming van het gevorderde bedrag van € 100,00. De gevorderde rente over de proceskosten en de nakosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis.
in reconventie
4.27.
De in conventie toegewezen vergoeding van schade staat in de weg aan de gevorderde verklaring voor recht dat Dexia niets meer is verschuldigd aan [eisers]
De vordering in reconventie zal daarom worden afgewezen.
4.28.
Dexia heeft in haar conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie een vordering ingediend ex artikel 195 Rv Pro, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat Dexia de stellingen van [eisers] niet voldoende concreet heeft betwist. In dat geval verzoekt Dexia de kantonrechter om [eisers] te veroordelen om een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eisers] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten waar die stellingen aan ontleend zijn. Deze vordering heeft zij als reconventionele vordering onvoorwaardelijk ingesteld. Deze vordering sluit niet aan bij de onderbouwing van de vordering in de dagvaarding. De kantonrechter beschouwt de vordering dan ook als voorwaardelijk incidentele vordering.
4.29.
De kantonrechter is van oordeel dat het niet mogelijk is om het instellen van een incidentele vordering afhankelijk te stellen van een inhoudelijk oordeel van de rechter als hiervoor bedoeld. Een kwestie in incident dient van procedurele aard te zijn en kan niet een enkele materiële (voor)vraag behelzen (
T&C Rv, Boek I, Titel 2, Afd. 10, inleidende opmerkingen, onder 2). Dexia heeft haar incidentele vordering afhankelijk gesteld van het oordeel van de kantonrechter ten aanzien van de stelplicht en bewijslast ter beoordeling van een van die vorderingen. Het is aan Dexia om de stellingen van [eisers] voldoende concreet te betwisten. Doet zij dit niet, dan wordt aan bewijslevering niet toegekomen. Als zij van mening is dat zij voor een gemotiveerde betwisting de beschikking dient te krijgen over bepaalde bescheiden dan had zij daartoe direct een vordering ex artikel 195 Rv Pro moeten indienen. Dat kan niet meer als de kantonrechter daarover al een oordeel heeft gegeven. Dat zou er immers op neerkomen dat Dexia wenst dat de kantonrechter – na een incidentele procedure – op een dergelijk oordeel terugkomt. Daar is een incidentele procedure niet voor bedoeld. De kantonrechter zal Dexia niet-ontvankelijk verklaren in het incident. Om die reden zal Dexia ook worden veroordeeld in de proceskosten in het incident.
4.30.
Dexia zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten in (onvoorwaardelijke) reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers] worden vastgesteld op € 576,00 (2 punten × € 288,00) aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
5.1.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, zowel vanwege schending van artikel 41 NR Pro 1999 als vanwege schending van haar zorgplicht (waarschuwingsplicht);
5.2.
verklaart voor recht dat [eisers] schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eisers] te vergoeden;
5.3.
veroordeelt Dexia tot betaling van de door [eisers] geleden schade van € 3.224,86 te vermeerderen met wettelijke rente, telkens vanaf de dag der door [eisers] gedane betalingen tot aan de dag van volledige betaling, te voldoen binnen drie weken na betekening van dit vonnis;
5.4.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 1.033,97, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.5.
veroordeelt Dexia in de nakosten, begroot op € 100,00, te voldoen binnen veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening;
5.6.
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de veroordelingen in 5.3., 5.4 en 5.5;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.8.
verklaart Dexia niet-ontvankelijk in haar incidentele vordering;
5.9.
wijst de vorderingen af;
5.10.
veroordeelt Dexia in de proceskosten aan de zijde van [eisers] tot op heden vastgesteld op € 576,00.
Aldus gewezen door mr. S.B. van Baalen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.
56118/vj

Voetnoten

1.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
2.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.