ECLI:NL:RBOBR:2020:261

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
22 januari 2020
Publicatiedatum
20 januari 2020
Zaaknummer
18/2162
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 ParticipatiewetArt. 26a AWRArt. 7:1 AwbArt. 8:26 AwbArt. 1, derde lid AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid en procesbelang bij WOZ-waarde woonwagenstandplaats en bijstandsuitkering

Eiser is huurder en gebruiker van een woonwagenstandplaats met woonwagen en bergingen in Helmond en stelde beroep in tegen de WOZ-waarde die door de gemeente Helmond was vastgesteld. Eiser wilde bereiken dat de waarde van de woonwagen onder de grens van het vrij te laten vermogen bleef, zodat bijstand om niet in plaats van leenbijstand zou worden toegekend. De rechtbank oordeelde dat eiser geen procesbelang had omdat de WOZ-waarde in de lopende procedure bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB) niet in geschil was en een uitspraak in deze procedure hem niet verder zou brengen.

Daarnaast werd het beroep van eiseres, medehuurder, niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen de WOZ-beschikking en het bezwaar van eiser niet mede namens haar was ingediend. De rechtbank bevestigde dat de woonwagen en bergingen duurzaam met de grond zijn verenigd en samen één onroerende zaak vormen. De gemeente Helmond is eigenaar van de grond en gebouwen, terwijl eiser gebruiker is.

De rechtbank benadrukte dat procesbelang vereist is en dat het instellen van beroep alleen zinvol is als het resultaat daadwerkelijk kan worden bereikt. De rechtbank volgde niet het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat huurders van woonruimte automatisch procesbelang hebben bij WOZ-beschikkingen. De rechtbank stelde eiser in het gelijk door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren en veroordeelde verweerder tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang; het beroep van eiseres wordt eveneens niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/2162

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

[eiseres], te [woonplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. van Dongen).

ProcesverloopBij beschikking van 31 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2017, voor het jaar 2018 (het kalenderjaar) vastgesteld op € 144.000. Het betreft een perceel grond (de woonwagenstandplaats), waarop zich bij de aanvang van het kalenderjaar een woonwagen en twee bergingen bevonden.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2018 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak verlaagd naar € 134.000 en een proceskostenvergoeding toegekend ter hoogte van € 249.
Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld en geeft in het beroepschrift aan dat het beroep mede namens eiseres is ingediend.
De rechtbank heeft de eigenaar, tevens de verhuurder van de woonwagenstandplaats, de gemeente Helmond, bij brief van 19 november 2018 in de gelegenheid gesteld te laten weten of zij aan het geding wenst deel te nemen. De rechtbank heeft geen reactie daarop ontvangen.
Bij brief van 2 september 2019 zijn partijen in de gelegenheid gesteld aan te geven welk (proces)belang eiser heeft als huurder/gebruiker van de woonwagen.
Bij brief van 3 september 2019 heeft eiser zijn reactie ingebracht.
Verweerder heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Overwegingen
Feiten
De woonwagenstandplaats heeft een grondoppervlak van 533 m². De woonwagen heeft twee verdiepingen, een begane grond van 97 m² en een eerste verdieping van 52 m². De twee bergingen hebben oppervlakten van 35 m² en 15 m². De woonwagen is aangesloten op alle nutsvoorzieningen. De onroerende zaak is gelegen op de woonwagenlocatie [adres] , die meerdere woonwagenstandplaatsen omvat. Eigenaar van de woonwagenstandplaats is de gemeente Helmond. Zij heeft de standplaats en de berging met een oppervlak van 15 m² verhuurd aan eisers.
Geschil en beoordeling
Ontvankelijkheid beroep eiseres
1. De rechtbank stelt vast dat er een WOZ-beschikking is op naam van eiser. Eiser kan dan ook op grond van artikel 26a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) beroep instellen en daaraan voorafgaand bezwaar maken. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen de WOZ-beschikking en het bezwaarschrift van eiser ook niet mede namens eiseres is ingediend. Gelet op artikel 7:1 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eiseres reeds om die reden niet-ontvankelijk. Van een van de uitzonderingen genoemd in artikel 7:1 van Pro de Awb is niet gebleken.
Derde-belanghebbende
2. De uitkomst van deze procedure kan gevolgen hebben voor de eigenaar van de woonwagenstandplaats, de gemeente Helmond. Het lag daarom op de weg van verweerder om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:26 van Pro de Awb, dat op grond van artikel 1, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en artikel 30, eerste lid, van de Wet WOZ op de onderhavige procedure van overeenkomstige toepassing is, de gemeente Helmond als derde-belanghebbende in de gelegenheid te stellen zich desgewenst over het geschil uit te laten. Dit is niet uitdrukkelijk gebeurd. De rechtbank verbindt hieraan echter geen verdere gevolgen, omdat de rechtbank in beroep, zoals volgt uit het procesverloop, de gemeente Helmond de mogelijkheid heeft geboden als procespartij deel te nemen aan het geding.
Goederenrechtelijke status van de woonwagen en de bergingen
3. Niet in geschil is dat de grond (woonwagenstandplaats) en de berging van 15 m2 eigendom van de gemeente zijn. Over de goederenrechtelijke status van de woonwagen en de berging van 35 m2 verschillen partijen evenwel van mening.
Naar het oordeel van de rechtbank dient de woonwagen te worden aangemerkt als een gebouw dat duurzaam met de grond (de woonwagenstandplaats) is verenigd in de zin van artikel 3:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij dit oordeel neemt de rechtbank in aanmerking dat de vaststaande feiten geen andere conclusie toelaten dan dat de woonwagen naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet ter zake doet dat technisch de mogelijkheid bestaat de woonwagen te verplaatsen (vergelijk het Portacabinarrest, HR 31 oktober 1997, nr. 16404, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478).
Naar het oordeel van de rechtbank zijn ook de beide bergingen gebouwen die duurzaam met de grond zijn verenigd, doordat zij naar aard en inrichting zijn bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven.
Eigendom van de woonwagen en de bergingen
4. Ingevolge artikel 5:20, eerste lid, aanhef en onder e, van het BW is de eigenaar van de grond – de gemeente Helmond – ook eigenaar van de gebouwen en werken die duurzaam met de grond (de woonwagenstandplaats) zijn verenigd, in dit geval de woonwagen en de beide bergingen. Eisers andersluidende standpunt wat betreft de woonwagen en de berging van 35 m2 volgt de rechtbank dus niet.
Objectafbakening
5. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de toepassing van de in artikel 16 van Pro de Wet WOZ opgenomen objectafbakeningsvoorschriften op de woonwagenstandplaats, de woonwagen en de bergingen. Naar het oordeel van de rechtbank is de woonwagenstandplaats, met uitzondering van de ondergrond van de gebouwde eigendommen, een ongebouwd eigendom in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel b, van de Wet WOZ en zijn de woonwagen en de bergingen, met inbegrip van hun ondergrond, gebouwde eigendommen in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel a, van de Wet WOZ. Dit ongebouwde eigendom en deze gebouwde eigendommen zijn, naar niet in geschil is, bij dezelfde belastingplichtige, namelijk eiser, in gebruik. Voorts behoren zij, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar. Daarom vormen de woonwagenstandplaats, de woonwagen en de bergingen tezamen één onroerende zaak in de zin van artikel 16, aanhef en onderdeel d, van de Wet WOZ.
Subjecten
6. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de gemeente Helmond aan het begin van het kalenderjaar de genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak in de zin van artikel 24, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet WOZ was. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op grond van de vaststaande feiten niet kan worden geoordeeld dat bij de aanvang van het kalenderjaar een ander dan de gemeente het bezit van de onroerende zaak had of dat op dat tijdstip op de onroerende zaak een beperkt genotsrecht was gevestigd. Verder volgt uit het wat hiervoor is overwogen dat eiser aan het begin van het kalenderjaar de gebruiker van de onroerende zaak was.
Procesbelang
7. De rechtbank heeft ambtshalve de vraag aan de orde gesteld of sprake is van procesbelang. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraken van deze rechtbank van
23 december 2019 inzake het procesbelang van huurders van woningen (ECLI:NL:RBOBR:
2019:7358, ECLI:NL:RBOBR:2019:7359 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7360).
Aan de orde is de vraag of het beroep van eiser behalve in formele zin, ook in materiële zin ontvankelijk is, te weten of eiser procesbelang heeft, dat wil zeggen belang bij een beslissing over het door hem bestreden besluit. Voor het antwoord op de vraag of sprake is van procesbelang, sluit de rechtbank aan bij vaste bestuursrechtelijke jurisprudentie. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) heeft op 7 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:189) geoordeeld dat (voldoende) procesbelang ontbreekt als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift nastreeft, niet daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor hem geen feitelijke, maar hooguit theoretische betekenis kan hebben. Deze vaste rechtspraak is ook bij de andere hoogste rechters in het bestuursrecht en bij de Hoge Raad terug te vinden. Eiser heeft dus geen belang als het instellen van een rechtsmiddel hem niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit en eventuele bijkomende (rechterlijke) beslissingen (ECLI:NL:HR:2014:878).
Het doel dat eiser met het instellen van het rechtsmiddel wil bereiken, moet hij ook daadwerkelijk kunnen bereiken en dat resultaat moet voor hem niet alleen hypothetische, maar feitelijke betekenis hebben. Als procesbelang ontbreekt, dan volgt niet-ontvankelijkheid (zie: ECLI:NL:GHDHA: 2016:1637; ECLI:NL:RVS:1999:AH6740). De toets of sprake is van procesbelang is evenals de toets van de formele ontvankelijkheidsvereisten een ambtshalve te verrichten toets.
De standpunten van partijen inzake het procesbelang
8. Verweerder heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 2017
(ECLI:NL:HR:2017:2656), waarin het volgende is geoordeeld: “Om tot een praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt te komen, dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt en die in bezwaar of in een procedure voor de belastingrechter een hogere dan de vastgestelde waarde bepleit, bij vaststelling van die hogere waarde een belang heeft”.
Verweerder is overeenkomstig de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden van 16 juli 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:5838, overwegingen 4.3 tot en met 4.7) van mening dat het arrest ruim moet worden uitgelegd, waardoor ook voor de huurder die een WOZ-beschikking heeft gekregen, geldt dat hij geacht wordt belang te hebben bij vaststelling van een andere waarde van de door hem gehuurde onroerende zaak.
Bij een beperkte uitleg van het arrest van de Hoge Raad is verweerder van mening dat eiser geen belang heeft. Aan eiser worden geen heffingen opgelegd waarbij de WOZ-waarde als grondslag dient. De WOZ-waarde is ook niet van belang in het kader van de maximale huurprijs. In het onderhavige geval wordt immers slechts de standplaats met berging gehuurd. De hier in het geding zijnde WOZ-waarde wordt ook niet als grondslag gehanteerd voor de door eiser genoemde beroepszaak inzake een bijstandsuitkering. In die beroepszaak is immers in opdracht van de rechtbank het taxatierapport opgesteld dat door eiser is overgelegd.
9. Eiser voert aan dat hij als eigenaar van de woonwagen procesbelang heeft bij een lagere WOZ-waarde. In dit verband voert eiser aan dat hij deels afhankelijk is van een bijstandsuitkering. De WOZ-waarde is daarbij van belang, aangezien de WOZ-waarde van invloed is op de vraag of aan eiser een bijstandsuitkering om niet dan wel in de vorm van leenbijstand wordt toegekend. Hierover is een procedure gevoerd bij deze rechtbank, waarin een uitspraak is gedaan op 2 november 2018. Inmiddels is een procedure aanhangig bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Oordeel rechtbank
10. De rechtbank maakt bij de bespreking van het procesbelang onderscheid tussen de vraag of eiser als huurder/gebruiker van de woonwagenstandplaats en berging procesbelang heeft en of eiser in verband met de bij de CRvB aanhangige procedure procesbelang heeft.
Procesbelang van eiser als huurder/gebruiker van de onroerende zaak
11. Verweerder heeft gewezen op het arrest van de HR van 20 oktober 2017. Dit arrest ziet op de situatie waarin een eigenaar van een onroerende zaak een procedure tegen de aan hem gerichte WOZ-beschikking is gestart. De kern van het nu te beoordelen geschil is of het oordeel van de HR moet worden doorgetrokken naar de situatie waarin de huurder/gebruiker van een woonwagenstandplaats een WOZ-beschikking heeft gekregen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft die vraag ten aanzien van de huurder van een woning bevestigend beantwoord in de uitspraak van 16 juli 2019. Evenals de rechtbank Midden-Nederland in haar uitspraken van 18 oktober 2019 ECLI:NL:RBMNE:2019:4832, ECLI:NL:RBMNE:2019:4833, ECLI:NL:RBMNE:2019:4834 en ECLI:NL:
RBMNE:2019:4835) volgt deze rechtbank het oordeel van het hof Arnhem-Leeuwarden niet. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 9 tot en met 16 uit de hiervoor genoemde gepubliceerde uitspraken van deze rechtbank van 23 december 2019, welke overwegingen hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd, met dien verstande dat daar waar in de genoemde uitspraken staat woning, dient te worden gelezen de onroerende zaak.
Procesbelang van eiser in verband met de procedure bij de CRvB
12. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij het onderhavige beroep. Kennelijk wil eiser in de procedure bij de CRvB (de CRvB-procedure) bereiken dat de waarde van de woonwagen beneden de grens blijft van het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Pw, zodat aan hem en zijn echtgenote bijstand om niet in plaats van leenbijstand wordt toegekend. Allereerst wijst de rechtbank er op dat de in de onderhavige procedure in geding zijnde WOZ-waarde blijkens de uitspraak van
2 november 2018 niet als grondslag wordt gehanteerd voor de waarde van de woonwagen in de CRvB-procedure. Eiser bepleit in onderhavige procedure een waarde van € 84.616 voor de woonwagen, overeenkomstig de waarde die door taxateur P.J.A.M. van Wetten in het kader van de CRvB-procedure is vastgesteld. Dit is ook de waarde waar de rechtbank in die procedure van uitgaat en deze waarde is kennelijk tussen de partijen in de CRvB-procedure niet in geschil. Eiser kan dus met een uitspraak over de WOZ-waarde per 1 januari 2017 in de CRvB-procedure niet meer bereiken dan hij al heeft bereikt.
Voor zover eiser een uitspraak wil over de vraag of verplaatsingskosten in mindering strekken op de waarde van de woonwagen op het moment dat de huurovereenkomst eindigt en eiser de woonwagen overdraagt aan de opvolgend huurder of de woonwagen laat verplaatsen, oordeelt de rechtbank dat dit een hypothetische situatie is, die op de waardepeildatum of bij de aanvang van het kalenderjaar in elk geval niet bestond. Reeds om die reden kan daar bij de bepaling van de WOZ-waarde geen rekening mee worden gehouden. Nu eiser met het instellen van beroep tegen de bestreden uitspraak niet kan bereiken wat hij wil bereiken, heeft hij geen procesbelang.
Conclusie
13. Verweerder heeft het bezwaar van eiser inhoudelijk beoordeeld en het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder had op grond van het voorgaande het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk moeten verklaren. De uitspraak op bezwaar kan derhalve niet in stand blijven. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal, doende wat verweerder had moeten doen, het bezwaar van eiser alsnog niet-ontvankelijk verklaren.
Proceskosten en griffierecht
14. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van
€ 525 en een wegingsfactor 1). De kosten van het door Van Wetten opgestelde taxatierapport ad € 1.180,48 komen niet voor vergoeding in aanmerking omdat dat rapport niet is opgesteld in het kader van deze procedure maar in het kader van de beroepsprocedure van deze rechtbank, waarin op 2 november 2018 uitspraak is gedaan.
15. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep van eiser gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en mr. G.J. van Leijenhorst, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 22 januari 2020
.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.