Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de heffingsambtenaar van de gemeente Helmond, verweerder
ProcesverloopBij beschikking van 31 januari 2018 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (hierna: de onroerende zaak) per waardepeildatum 1 januari 2017, voor het jaar 2018 (het kalenderjaar) vastgesteld op € 144.000. Het betreft een perceel grond (de woonwagenstandplaats), waarop zich bij de aanvang van het kalenderjaar een woonwagen en twee bergingen bevonden.
2019:7358, ECLI:NL:RBOBR:2019:7359 en ECLI:NL:RBOBR:2019:7360).
(ECLI:NL:HR:2017:2656), waarin het volgende is geoordeeld: “Om tot een praktisch goed uitvoerbare uitwerking van dat uitgangspunt te komen, dient te worden aangenomen dat eenieder aan wie een te zijnen aanzien genomen WOZ-beschikking bekend is gemaakt en die in bezwaar of in een procedure voor de belastingrechter een hogere dan de vastgestelde waarde bepleit, bij vaststelling van die hogere waarde een belang heeft”.
Beslissing
- verklaart het beroep van eiseres niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050.
.