ECLI:NL:RBOBR:2023:2957
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat UWV dagloon verkeerd heeft vastgesteld door strikte toepassing artikel 18 Dagloonbesluit
Eiseres kreeg een WIA-uitkering toegekend door het UWV, waarbij het dagloon werd vastgesteld zonder toepassing van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit, omdat zij in het eerste aangiftetijdvak van de referteperiode vakantiegeld had ontvangen. Dit vakantiegeld was echter een verlate betaling van een WW-uitkering die vóór de referteperiode eindigde.
Eiseres voerde aan dat het onredelijk was om artikel 18 niet Pro toe te passen, omdat het vakantiegeld niets te maken had met loon in de referteperiode en dat de strikte toepassing van de wetgeving tot een onredelijke uitkomst leidde. Het UWV stelde dat artikel 18 dwingendrechtelijk Pro is en dat de situatie van eiseres geen uitzondering rechtvaardigde.
De rechtbank concludeerde dat het doel van artikel 18 is Pro om starters en herintreders een gunstiger dagloon te bieden, en dat eiseres in de situatie van een verlate betaling van vakantiegeld onnodig nadelig werd getroffen. De rechtbank vond dat de strikte toepassing van artikel 18 in Pro dit individuele geval in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en veroordeelde het UWV tot het herzien van het besluit met toepassing van artikel 18.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, wees het beroep toe, en veroordeelde het UWV tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres. De zaak werd behandeld op 8 mei 2023 en het vonnis werd uitgesproken op 19 juni 2023.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt vernietigd wegens onjuiste toepassing van artikel 18 van het Dagloonbesluit.