Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Kamerstukken II2002-2003, 28870, nr. 3, p. 43-45). Hiermee staat voldoende vast dat de situatie van eiser wat betreft de algemene bijstandsvoorziening voor de kosten van het levensonderhoud voldoende is verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. Dit nog daargelaten dat eiser niet goed heeft uitgelegd waarom in zijn geval in dit kader sprake is van bijzondere omstandigheden die tot een ernstige onevenwichtigheid leiden. In zoverre slaagt het betoog van eiser dus niet.
bijzondere bijstand. De rechtbank heeft in de wetsgeschiedenis enkel argumentatie kunnen vinden waarom uitsluiting van algemene bijstand gerechtvaardigd is (dat heeft de rechtbank hiervoor al gezegd). De periodieke, maandelijkse kosten van bewindvoering lopen in beginsel door tenzij eventueel om schorsing is verzocht door de kantonrechter. En voor die kosten bestaat in beginsel geen alternatieve voorziening, zoals bij de algemene bijstand wel het geval is omdat de kosten voor levensonderhoud worden ‘overgenomen’ door het detentiecentrum. In zoverre lijken de omstandigheden bij uitsluiting van deze vorm van bijzondere bijstand niet of niet volledig verdisconteerd door de wetgever. De rechtbank kan zich daarom voorstellen dat in situaties waarin wél gebleken is van een ernstige onevenwichtigheid door de wetstoepassing bij deze vorm van bijzondere bijstand, anders dient te worden geoordeeld over een beroep op de contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.