De zaak betreft een geschil tussen een ex-werkgever en het UWV over de ingangsdatum van een IVA-uitkering voor een ex-werkneemster op grond van de Wet WIA. Het UWV had aanvankelijk een WGA-uitkering toegekend per 27 december 2014 en later een IVA-uitkering per 16 november 2022. Na bezwaar en beroep wijzigde het UWV het besluit en stelde de ingangsdatum van de IVA-uitkering vast op 16 november 2021.
De rechtbank behandelde de beroepen en oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit van 26 april 2023 een gebrek vertoonde, dat het UWV mocht herstellen. Het beroep tegen het besluit van 25 april 2023 werd gesloten. Na herstel van het besluit door het UWV op 21 oktober 2024 werd het beroep voortgezet en uiteindelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat het UWV terecht de ingangsdatum van de IVA-uitkering niet eerder dan 52 weken voor de aanvraagdatum had vastgesteld, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De ex-werkgever stelde dat het gelijkheidsbeginsel een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde, maar deze beroepsgrond werd als strijdig met de goede procesorde verworpen omdat deze te laat en herhaaldelijk was ingebracht.
De rechtbank wees het beroep af, kende een proceskostenvergoeding toe aan de ex-werkgever voor het beroep waarin het gebrek werd hersteld, maar wees een verzoek tot vergoeding van kosten van een arts-gemachtigde af. Het griffierecht werd eveneens vergoed. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.