Eiseres ontving sinds 1998 een bijstandsuitkering en het college trok deze met terugwerkende kracht in vanaf 25 mei 2019 tot 31 maart 2024 vanwege het niet melden van haar werkelijke hoofdverblijf. Het college baseerde dit op een onderzoek naar haar woonadres, waarbij extreem laag waterverbruik en aanvullend bewijs zoals bankafschriften, huisbezoek en verklaringen van buurtbewoners werden betrokken.
De rechtbank stelt vast dat een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar als indicatie geldt dat een woning niet als hoofdverblijf wordt gebruikt. Voor de periode tot 23 juni 2023 was het waterverbruik extreem laag, waardoor eiseres moest aantonen dat zij toch op het uitkeringsadres woonde, wat zij niet kon. Voor de periode daarna was het waterverbruik laag, maar niet extreem, waardoor het college aanvullend bewijs moest leveren, wat ook is gelukt.
Eiseres voerde aan dat zij weinig water verbruikt vanwege haar leefstijl en cognitieve beperkingen na een ongeval, en dat zij niet heeft samengewoond. De rechtbank acht deze verklaringen onvoldoende om de conclusies van het college te weerleggen. Ook het beroep op dringende redenen om terugvordering te voorkomen faalt, omdat het college een belangenafweging maakte en eiseres bescherming geniet van beslagvrije voetregels.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstand, waarbij eiseres geen recht heeft op griffierechtteruggave of proceskostenvergoeding.