ECLI:NL:RBOBR:2025:8459

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
24/1722
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-waarde van een woning in Meierijstad

In deze uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, wordt het beroep van eiseres tegen de vastgestelde WOZ-waarde van haar woning behandeld. De heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad had de WOZ-waarde vastgesteld op € 362.000, gebaseerd op een taxatierapport van taxateur O. Harmsen. Eiseres betwist deze waarde en stelt dat de woning te hoog is gewaardeerd, waarbij zij een waarde van € 318.000 primair en € 323.000 subsidiair bepleit. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog is, en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank stelt de WOZ-waarde vast op € 323.000, en wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.875,76 en het griffierecht van € 51. De uitspraak is gedaan op 23 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1722

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam] ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: mr. A.G. Hendriks).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ [1] -waarde van een woning aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
1.1.
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 23 februari 2023 vastgesteld op € 362.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de onroerendezaakbelasting 2023 opgelegd.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft met de uitspraak op bezwaar van 9 januari 2024 (de bestreden uitspraak) de waarde gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
1.3.
De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft daarop gereageerd
.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 25 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door taxateur C.L.M. van Summeren.
1.5.
De rechtbank heeft op 20 mei 2025 het onderzoek heropend om de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid te stellen aanvullende informatie aan te leveren. De gemachtigde van eiseres heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt. Partijen hebben vervolgens nog over en weer gereageerd.
1.6.
Vervolgens heeft de rechtbank partijen gevraagd of zij gebruik willen maken van hun recht om op een nadere zitting te worden gehoord. Partijen hebben daarop aangegeven dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting. Daarom heeft de rechtbank een nader onderzoek ter zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.

Feiten

2. Eiseres is eigenaar (en gebruiker) van de onroerende zaak.
2.1.
Het betreft een in 1962 gebouwde rijwoning, gelegen in [woonplaats]. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 90 m2, twee aanbouwen van 2 m² en 33 m2 en een overkapping. De grond bij de woning heeft een oppervlakte van 180 m2.

Beoordeling door de rechtbank

3. Partijen zijn het niet eens over de (WOZ-)waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023. De waardepeildatum is 1 januari 2022.
4. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarde van de woning niet te hoog is. Het beroep van eiseres is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Over de WOZ-waarde
5. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning (€ 362.000) onderbouwd met een taxatierapport, opgesteld door taxateur O. Harmsen. Daarin is de woning getaxeerd op € 378.000.
6. Eiseres stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld. Zij bepleit primair een waarde van € 318.000 en subsidiair van € 323.000. Eiseres heeft ter onderbouwing daarvan in beroep twee matrices overgelegd.
7. De heffingsambtenaar moet aannemelijk maken dat hij de waarde niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld (bewijslast). Bij de beoordeling of de heffingsambtenaar in die bewijslast is geslaagd, betrekt de rechtbank ook wat eiseres hierover heeft aangevoerd.
8. Eiseres heeft de objectafbakening van de woning niet aan de orde gesteld. Van een onjuiste objectafbakening is ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom uit van de objectafbakening en objectkenmerken zoals opgenomen in de waardematrix van de heffingsambtenaar.
9. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met de volgende drie vergelijkingsobjecten: [adres] , [adres] en [adres] . Deze vergelijkingsobjecten zijn rij- of hoekwoningen, gelegen in [woonplaats] , in dezelfde straat dan wel dezelfde wijk als de woning. De vergelijkingsobjecten zijn alle binnen een jaar van de waardepeildatum verkocht en geïndexeerd naar de waardepeildatum. De vergelijkingsobjecten hoeven niet identiek aan de woning te zijn. De taxateur van de heffingsambtenaar heeft met zijn waardematrix onderbouwd dat de vergelijkingsobjecten zeer goed vergelijkbaar zijn wat betreft woonoppervlakte, bouwjaar, ligging, kwaliteit, uitstraling en doelmatigheid en min of meer vergelijkbaar wat betreft perceeloppervlakte. Uit de waardematrix blijkt dat de taxateur van de heffingsambtenaar rekening heeft gehouden met de verschillen in onderhoud en voorzieningen. Die verschillen zijn tot uitdrukking gebracht in de gehanteerde m2-prijs voor de woning, die is bepaald op € 2.444. De heffingsambtenaar heeft de grondwaarde vastgesteld aan de hand van de grondstaffelmethode, waarbij naarmate de grondoppervlakte groter is, de prijs per m2 lager wordt. De rechtbank is van oordeel dat de waardebepaling van de heffingsambtenaar in zoverre niet op onjuiste uitgangspunten berust.
9.1.
Eiseres heeft ter betwisting van de vastgestelde waarde een alternatieve matrix overgelegd, waarin de waarde van de woning wordt onderbouwd met verkopen van zeven volgens eiseres goed vergelijkbare woningen. Het gaat om de hierboven genoemde drie vergelijkingsobjecten die de heffingsambtenaar gebruikt, de drie door de taxateur van eiseres in de bezwaarfase genoemde referenties (te weten [adres] , [adres] en [adres] ) en daarnaast [adres] , dat volgens eiseres ook zeer dicht in de buurt van de woning ligt. In die matrix is de waarde van de woning getaxeerd op € 323.000. Bij de vraag of de heffingsambtenaar de waarde aannemelijk heeft gemaakt kan volgens eiseres niet voorbij worden gegaan aan de door haar overgelegde matrix. Zij verwijst in dit kader naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2023 [2] . Bij de nadere gronden heeft eiseres een gewijzigd taxatierapport met een herziene matrix overgelegd. In die herziene taxatie zijn twee van de zeven referenties achterwege gelaten, namelijk de twee hoekwoningen ( [adres] en [adres] ). Volgens eiseres zijn er genoeg verkoopcijfers van tussenwoningen beschikbaar, zijn de vijf tussenwoningen zeer goed vergelijkbaar en hoeft daarom niet te worden vergeleken met hoek- of eindwoningen. Uit de door haar overlegde berekening blijkt volgens eiseres dat bij de verkopen van de tussenwoningen veel minder gecorrigeerd hoeft te worden voor de verschillen dan bij hoek- of eindwoningen. In de door eiseres overgelegde herziene matrix komt de getaxeerde waarde uit op € 318.000.
9.2.
De rechtbank overweegt dat uit de door eiseres genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad niet volgt dat door belanghebbende genoemde alternatieve vergelijkingsobjecten altijd (zonder meer) moeten worden betrokken bij de waardevaststelling. De bewijslastverdeling is immers zo dat het (eerst) op de weg van de heffingsambtenaar ligt om te onderbouwen dat de vastgestelde waarde niet te hoog ligt. In die eerste stap kan echter wel waarde toekomen aan wat eiseres aanvoert als zij goed bruikbare alternatieve verkoopcijfers noemt en onderbouwd laat zien dat daaruit volgt dat de waarde van de woning lager zou moeten liggen.
9.3.
In het verweerschrift heeft de heffingsambtenaar geschreven dat de door eiseres genoemde aanvullende objecten [adres] , [adres] en [adres] niet de meest ideale vergelijkingsobjecten zijn en minder goed vergelijkbaar zijn dan de objecten die hij gebruikt. De heffingsambtenaar licht dit als volgt toe. De woning van eiseres meet in de basis 90 m² woonoppervlakte. Dit geldt eveneens voor de vergelijkingsobjecten die in het taxatierapport van de heffingsambtenaar worden gebruikt. Die drie aanvullende objecten die eiseres noemt wijken echter qua basis-woonoppervlakte af van dat van de woning. Om die reden vindt de heffingsambtenaar de door hem gebruikte vergelijkingsobjecten beter geschikt. Daarnaast geeft de heffingsambtenaar aan dat de objecten [adres] en [adres] van een andere bouwperiode zijn. Daarom ziet de heffingsambtenaar geen aanleiding de door eiseres genoemde aanvullende vergelijkingsobjecten in de taxatie te betrekken. Verder merkt de heffingsambtenaar op dat de taxateur van eiseres in diens matrix geen verschil maakt tussen de woonoppervlakte van de hoofdbouw (het gedeelte onder de kapconstructie) en eventuele aanbouwen, wat volgens de heffingsambtenaar wel gebruikelijk is. De taxateur van de heffingsambtenaar doet dit laatste wel in zijn taxatie, waarmee hij heeft laten zien dat de vergelijkingsobjecten in de basis qua woonoppervlak gelijk zijn aan de woning.
9.4.
De rechtbank overweegt dat in dit geval de heffingsambtenaar niet heeft gesteld dat de door eiseres genoemde andere verkoopcijfers niet bruikbaar zijn of dat die objecten (in het geheel) niet vergelijkbaar zijn. De heffingsambtenaar heeft slechts gesteld dat die objecten (qua bouwjaar en basiswoonoppervlak) minder goed vergelijkbaar zijn dan de vergelijkingsobjecten die hij heeft gebruikt. Dat alleen vindt de rechtbank onvoldoende om voorbij te gaan aan wat eiseres heeft aangevoerd en overgelegd. Eiseres heeft niet alleen alternatieve vergelijkingsobjecten genoemd, maar in de matrix van eiseres zijn naast die alternatieve verkopen ook de door de heffingsambtenaar gebruikte vergelijkingsobjecten betrokken en is rekenkundig inzichtelijk gemaakt hoe tot de daar getaxeerde waarde is gekomen. De heffingsambtenaar heeft de juistheid van de berekening die in de matrix van eiseres is gemaakt, inclusief de daarin toegepaste correcties vanwege de verschillen, verder niet weersproken. De enkele stelling van de heffingsambtenaar dat in de matrix van eiseres geen uitsplitsing is gemaakt in hoofdbouw en aanbouw(en), maakt niet dat die matrix niet geschikt is om de waardeonderbouwing van de heffingsambtenaar te betwisten. Dit alles leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres reeds met de door haar overgelegde matrix, waarin cijfermatig onderbouwd tot een lagere waarde wordt gekomen, voldoende twijfel heeft gezaaid over de waardeonderbouwing van de heffingsambtenaar. Gelet hierop heeft de heffingsambtenaar de vastgestelde waarde niet aannemelijk gemaakt.
10. Aangezien het beroep reeds hierom gegrond is, ziet de rechtbank geen reden voor een bespreking van de (algemene) beroepsgrond dat de bestreden uitspraak onvoldoende is gemotiveerd.
11. Omdat de heffingsambtenaar de door hem voorgestane waarde niet aannemelijk heeft gemaakt, is vervolgens de vraag aan de orde of eiseres de door haar bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank gaat hierbij alleen uit van de eerste matrix die eiseres in beroep heeft overgelegd. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval de door de heffingsambtenaar betrokken hoekwoningen, onvoldoende vergelijkbaar zijn.
11.1.
Bij de beoordeling van de vraag of eiseres de door haar bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt, vindt de rechtbank in dit geval de stelling van de heffingsambtenaar over het jongere bouwjaar van de door eiseres genoemde objecten niet relevant. De heffingsambtenaar heeft immers gesteld dat een woning uit de jaren ’70 op punten beter is dan de jaren ’60. Die stelling had dan naar het de rechtbank voorkomt logischerwijs moeten leiden tot een neerwaartse correctie op de (deel)waarde van de woning. Echter, in de matrix van eiseres is hierop niet gecorrigeerd, zodat de daarin getaxeerde waarde eerder hoger dan lager uitvalt dan volgens de heffingsambtenaar eigenlijk zou moeten. Dat er in de matrix van eiseres verder geen verschil wordt gemaakt tussen hoofd- en aanbouw leidt de rechtbank evenmin tot het oordeel dat om die reden de waarde door eiseres niet aannemelijk is gemaakt. Dat is immers een keuze van de taxateur. Dat de taxateur van de heffingsambtenaar wat dat betreft een andere keuze heeft gemaakt, maakt niet dat de keuze van de taxateur van eiseres per definitie onjuist is. De rechtbank is er niet van overtuigd dat de door de heffingsambtenaar genoemde aspecten hebben geleid tot een niet-marktconforme waarde in de door eiseres overgelegde matrix. De heffingsambtenaar heeft verder geen andere omstandigheden genoemd die maken dat de door eiseres overgelegde taxatie onjuist zou zijn. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat eiseres met de door haar overgelegde (eerste) matrix de bepleite waarde van € 323.000 aannemelijk heeft gemaakt.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
12. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. De termijn is aangevangen op het moment van de ontvangst van het bezwaarschrift, namelijk op 30 maart 2023. De rechtbank doet vandaag uitspraak en dat betekent dat de redelijke termijn is overschreden met ongeveer negen maanden. Omdat het financieel belang in deze zaak minder is dan € 1.000,- volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. [3] Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is gegrond. Eiseres krijgt dus gelijk in haar standpunt dat de WOZ-waarde van de woning te hoog is vastgesteld. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de WOZ-waarde van de woning per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het kalenderjaar 2023, vaststellen op € 323.000.
13.1.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
14. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de heffingsambtenaar in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, in totaal € 1.875,76. Daarnaast bepaalt de rechtbank dat de heffingsambtenaar het door eiseres betaalde griffierecht van € 51 aan haar moet vergoeden.
14.1.
Op grond van het onmiddellijk per 1 januari 2024 in werking getreden artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ mag de heffingsambtenaar de in deze uitspraak toegekende proceskosten en het griffierecht uitsluitend uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
14.2.
Hierna volgt een specificatie van de te vergoeden proceskosten.
Rechtsbijstand in bezwaar
15. De rechtbank overweegt dat artikel 30a, eerste lid, van de Wet WOZ op deze bezwaarfase niet van toepassing is, omdat de WOZ-beschikking dateert van voor 1 januari 2024.
15.1.
De kosten voor de bezwaarfase worden daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.294 (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor de (telefonische) hoorzitting, met een waarde per punt van € 647 een wegingsfactor 1).
Rechtsbijstand in beroep
16. Artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ is wel van toepassing op de proceskosten in de beroepsfase, omdat de uitspraak op bezwaar dateert van na 1 januari 2024. Eiseres vindt echter dat artikel 30a van de Wet WOZ niet op haar gemachtigde van toepassing is, omdat hij een bijzonder geval is in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 [4] .
16.1.
In het arrest van 17 januari 2025 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wetgever met de beperkingen van proceskostenvergoedingen in procedures over de Wet WOZ het oog heeft gehad op gevallen die zich daardoor kenmerken dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. Aanwijzingen dat dit laatste het geval is, kunnen bijvoorbeeld worden gevonden in de omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak. Gevallen die kennelijk niet deze kenmerken hebben, moeten in het licht van het doel van de regeling over proceskostenvergoedingen in de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm worden aangemerkt als bijzondere gevallen in de zin van artikel 30a, eerste en tweede lid, van de Wet WOZ, met als gevolg dat in die gevallen geen aanleiding bestaat tot vermenigvuldiging van de op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) berekende forfaitaire vergoeding met de factoren van artikel 30a van de Wet WOZ. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten volgens dit arrest op (de gemachtigde van) eiseres.
16.2.
De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde de drie hiervoor genoemde kenmerken heeft, moet volgens de Hoge Raad in het arrest van 25 april 2025 [5] worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor in 4. onder (ii) bedoeld, zal aldus beoordeeld moeten worden of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor in 4. onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft.
16.3.
De rechtbank heeft naar aanleiding van voormeld arrest van de HR van 25 april 2025, dat op het moment van de zitting nog niet bekend was, het onderzoek heropend en de gemachtigde van eiseres in de gelegenheid gesteld om zijn stelling te onderbouwen dat hij hieraan voldoet.
16.4.
Daarop heeft gemachtigde het (primaire) standpunt ingenomen dat hij sinds 1 januari 2024, en dus op het moment van de bestreden uitspraak op bewaar en het instellen van dit beroep, niet meer werkt op grond van no cure no pay, zodat hij – zo begrijpt de rechtbank – reeds daarom moet worden aangemerkt als een bijzonder geval. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het ingestelde beroep borduurt immers voort op een overeenkomst uit 2023. Dat de met eiseres gemaakte afspraak in beroep is gewijzigd is gesteld noch gebleken. Om die reden moet worden aangenomen dat het kantoor van gemachtigde ook in 2024 nog optrad op basis van no cure no pay.
16.5.
Het (subsidiaire) standpunt van gemachtigde ten aanzien van de hoogte van de kosten, volgt de rechtbank evenmin. Gemachtigde stelt dat hij in deze zaak geen gebruik heeft gemaakt van gestandaardiseerde (onzinnige) tekstblokken die niet zijn toegespitst op de zaak. Hij stelt dat bij alle procedures die hij voert te zien is dat er maatwerk verricht is. Volgens gemachtigde is het in zijn geval niet zo dat de toegekende proceskosten de gemaakte kosten in redelijkheid ver overtreffen, waarbij gemachtigde onder meer een berekening heeft gegeven van hoeveel tijd de verschillende proceshandelingen hem kosten.
16.6.
De rechtbank is van oordeel dat de gemachtigde, ondanks de daartoe door de rechtbank geboden gelegenheid, geen concreet (cijfermatig) inzicht heeft gegeven in zijn bedrijfsmodel. De rechtbank stelt vast dat gemachtigde slechts (in algemene zin) uitlegt hoe hij te werk gaat, hoe hij te werk is gegaan in deze zaak en hoeveel tijd hij besteedt aan verschillende proceshandelingen. De rechtbank ziet op basis van het dossier en de door gemachtigde gegeven toelichting dat hij inderdaad niet werkt met standaardtekstblokken en dat hij maatwerk levert die toegespitst is op de zaak. Dat is echter niet voldoende. Volgens het arrest van de HR van 25 april 2025 gaat het bij de beoordeling van het bedrijfsmodel niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand. In het bijzonder vraagt de HR in zijn arrest om een vergelijking tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Die informatie en dat inzicht heeft de gemachtigde van eiseres hier niet geleverd. Dat gemachtigde aangeeft dat het voor hem onmogelijk is om door middel van zijn boekhouding het gevraagde inzicht te verschaffen, komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank kan alleen op basis van wat gemachtigde aanvoert niet goed beoordelen of het bedrijfsmodel van de gemachtigde al dan niet het kenmerk heeft dat de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De verwijzing van de gemachtigde van eiseres naar de uitspraken van de rechtbank Limburg van 23 april 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:3858, rechtbank Oost-Brabant van 22 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2376 en rechtbank Amsterdam van 4 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:771, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die uitspraken dateren namelijk van voor het arrest van de HR van 25 april 2025, waarin nader invulling is gegeven aan het arrest van 17 januari 2025.
16.7.
Gelet op het voorgaande is voor de rechtbank dus niet buiten redelijke twijfel komen vast te staan dat het bedrijfsmodel een of meer van de genoemde kenmerken niet heeft. De rechtbank ziet daarom geen grond om geen toepassing te geven aan artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ. Dit betekent dat de proceskosten in verband met rechtsbijstand in de beroepsfase worden vastgesteld op € 453,50 voor de beroepsfase (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907, vermenigvuldigd met een factor 0,25). Hierbij merkt de rechtbank op dat zij de nadere gronden van eiseres van 1 april 2025 niet aanmerkt als een ‘repliek’ die in aanmerking komt proceskostenvergoeding, omdat de rechtbank eiseres niet verzocht heeft om te repliceren. [6]
Taxatiekosten
17. Eiseres heeft in bezwaar een taxatierapport overgelegd van De Juiste Waarde van 5 september 2023. Bij het beroepschrift heeft eiseres een matrix overgelegd en bij het aanvullend beroepschrift een gewijzigd taxatierapport van De Juiste Waarde van 1 april 2025 met daarbij een herziene matrix.
17.1.
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hanteert bij het bepalen van de hoogte van de te vergoeden taxatiekosten het volgende richtsnoer [7] :
‘(…)
Opmerking verdient dat:
(…) voor vergoeding alleen die kosten in aanmerking komen die men redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij geldt de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Niet alleen moet de omvang van de kosten redelijk zijn, maar ook het maken van de kosten als zodanig – bijvoorbeeld door het inroepen van rechtsbijstand – moet redelijk zijn (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 154, en Kamerstukken I 1999/00, 27 024, nr. 3, blz. 10).
(…)
Voor een deskundigenrapport in WOZ-zaken gelden de uitgangspunten voor de vergoeding volgens de Richtlijn per 1 juli 2018 (Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties, Stcrt. 2018, 28796). Is aannemelijk dat de kostenvergoeding volgens die Richtlijn disproportioneel is (hetgeen bijvoorbeeld het geval kan zijn indien het rapport geautomatiseerd tot stand is gebracht) bestaat aanleiding uit te gaan van een geringere tijdsbesteding. (…) Of een ingebracht (taxatie)rapport als een deskundigenrapport kan worden aangemerkt, is niet aan de hand van algemene richtsnoeren te beoordelen. Als ondergrens heeft te gelden dat het is opgesteld door een ter zake deskundige, dan wel onder diens verantwoordelijkheid, waarvan uit de medeondertekening van het rapport moet blijken. Er wordt niet de eis gesteld dat sprake moet zijn van een geregistreerd taxateur. Eisen aan vormgeving en omvang van het rapport zijn echter niet te stellen. (…)’
17.2.
Volgens de Richtlijn van de belastingkamers van de gerechtshoven inzake vergoeding van proceskosten bij WOZ-taxaties [8] bedraagt het tarief van een taxateur bij woningtaxaties € 53 per uur, exclusief BTW. Het aantal uren dat is gemoeid met de taxatie van een onroerende zaak en het opstellen van een rapport wordt gesteld, voor zover hier van belang, op twee uur voor een niet-inpandige woningtaxatie.
18. Op de zitting heeft de heffingsambtenaar over het in bezwaar door eiseres overgelegde taxatierapport aangegeven dat daarin de naam ontbreekt van de persoon die het rapport heeft opgesteld. Daarop gaf de gemachtigde van eiseres aan dat dit een fout is in het taxatierapport en dat het rapport wel is opgesteld door een taxateur. De rechtbank stelt vast dat het rapport afkomstig is van het taxatiebureau De Juiste Waarde en is ondertekend. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat dit rapport niet is opgesteld door een ter zake deskundige.
19. De rechtbank stelt in dit geval vast dat het in bezwaar opgestelde taxatierapport “administratief” tot stand is gekomen en geen rekenkundige onderbouwing bevat. Het betreft een bureautaxatie en de rechtbank ziet in dat taxatierapport gegevens die grotendeels automatisch en door middel van openbare informatiebronnen kunnen worden ingevuld. De rechtbank vindt daarom een tijdsbesteding van twee uur disproportioneel. In beroep heeft eiseres echter twee matrices overgelegd. Hoewel van de eerste niet duidelijk is door wie het is opgemaakt, maakt de tweede matrix onderdeel uit van een (herzien) taxatierapport. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook de eerste matrix door een taxateur is opgesteld. Alles tezamen bezien, zal de rechtbank voor de vergoeding van de gemaakte taxatiekosten uitgaan van één overgelegd taxatierapport, waarvoor naar het oordeel van rechtbank een tijdsbesteding van 2 uur redelijk is. De rechtbank stelt de kosten voor het opstellen van het taxatierapport vast op € 128,26 (2 x € 53 + 21% BTW).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;
- stelt de waarde van de woning aan de [adres] in [woonplaats] per waardepeildatum 1 januari 2022, voor het kalenderjaar 2023, vast op € 323.000 en
vermindert de daarop gebaseerde aanslag OZB overeenkomstig die waarde;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.875,76;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiseres te vergoeden;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.

Voetnoten

1.Wet Waardering Onroerende Zaken (Wet WOZ)
6.Hoge Raad, 15 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:866
7.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
8.Staatscourant 2018, 28796.