ECLI:NL:RBOBR:2026:1852
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling invordering verbeurde dwangsom wegens overschrijding opslagcapaciteit schrootverwerkingsbedrijf
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van een schrootverwerkingsbedrijf tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot invordering van een verbeurde dwangsom van €105.000 wegens overschrijding van de vergunde opslagcapaciteit van 1.250 ton schroot.
Het bedrijf exploiteert sinds de jaren '70 een schrootverwerkingsbedrijf en kreeg in 2001 een omgevingsvergunning met een opslagcapaciteit van 1.250 ton. In 2021 en 2022 werden overschrijdingen geconstateerd, waarna het college een last onder dwangsom oplegde. Na diverse procedures en vernietigingen door de rechtbank en Afdeling bestuursrechtspraak, werd in 2024 opnieuw een overschrijding vastgesteld van 237,86 ton.
Het bedrijf voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals een legaliserende revisievergunning in voorbereiding, eerdere dwangsominvordering, verkoop van het bedrijf en verbeterde brandveiligheidsmaatregelen, tot matiging of afzien van invordering zouden moeten leiden. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden geen reden geven om af te zien van invordering, mede omdat het belang van handhaving zwaar weegt en de formele rechtskracht van de last onder dwangsom vaststaat.
Ook het betoog dat het college niet conform het handhavingsbeleid heeft gehandeld, werd verworpen wegens gebrek aan concrete aanwijzingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de invordering van de verbeurde dwangsom wegens overschrijding van de opslagcapaciteit.