ECLI:NL:RBOBR:2026:267

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
25/641
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering studiefinanciering op basis van migrerend werknemerschap in het kader van een stage

Deze uitspraak betreft de weigering van de eiser om in aanmerking te komen voor studiefinanciering op basis van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De eiser, een EU-student, had een aanvraag ingediend voor studiefinanciering, maar deze werd afgewezen door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De rechtbank heeft de zaak op 20 januari 2026 behandeld en kwam tot de conclusie dat de eiser niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt, omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij tijdens zijn stage reële en daadwerkelijke arbeid had verricht. De rechtbank heeft de beroepsgronden van de eiser beoordeeld en vastgesteld dat de stageovereenkomst en de verklaringen van de stagegever onvoldoende bewijs boden voor de claim van de eiser. De rechtbank heeft het bewijsaanbod van de eiser afgewezen en geconcludeerd dat de minister terecht had beslist dat de eiser geen recht had op studiefinanciering voor de periode van september 2024 tot en met december 2024. De uitspraak is openbaar gemaakt en de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat de eiser geen recht heeft op terugbetaling van griffierechten of proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J.C. Bindels),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister

(gemachtigde: mr. M. Santing).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering eiser in aanmerking te brengen voor studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser, gelet op het beschikbare bewijs over de inhoud van zijn stage niet kan worden aangemerkt als migrerend werknemer. Daarom heeft eiser geen recht op studiefinanciering in de periode september 2024 tot en met december 2024. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie (niet de Nederlandse nationaliteit). Hij heeft een aanvraag studiefinanciering ingediend op grond van de Wsf 2000. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 24 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 12 februari 2025 heeft de minister op het bezwaar van eiser beslist en is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt het recht op studiefinanciering in de periode van september 2024 tot en met december 2024. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3.1.
Uit de van toepassing zijnde wettelijke regels volgt dat een EU-student die op de peildatum kan worden aangemerkt als migrerend werknemer als bedoeld in artikel 45 van het VWEU [2] , op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wsf 2000 in aanmerking kan komen voor (volledige) studiefinanciering.
Rechtsvraag in dit geding
4. Tussen partijen is in geschil of de minister terecht heeft beslist dat eiser tijdens zijn stage bij [naam] niet als migrerend werknemer valt aan te merken en hij in verband daarmee in de maanden september 2024 tot en met december 2024 geen recht heeft op de door hem aangevraagde studiefinanciering.
Uitgangspunten bij de beoordeling van werknemerschap en stage
5. Om als migrerend werknemer te kunnen worden aangemerkt moet sprake zijn van reële en daadwerkelijke arbeid, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig van aard zijn. Voor de algemene uitgangspunten voor de beoordeling van werknemerschap in de zin van artikel 45 van het VWEU, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 april 2023 [3] en 13 juni 2024 [4] . Voor de uitgangspunten bij de beoordeling van activiteiten verricht in het kader van een stage, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de CRvB van 29 februari 2024 [5] en van 20 november 2025 [6] . Hieruit volgt dat in het geval van een stage steeds een individuele beoordeling vereist is om te bezien of de activiteiten van de stagiair tot (migrerend) werknemerschap leiden en dat het beleid van de minister (thans: de Beleidsregel migrerend werknemerschap en studiefinanciering [7] ) hierin geen wijziging brengt.
Beoordeling door de rechtbank van de stage van eiser
6. Omdat het gaat om een aanvraagsituatie, is het aan eiser om aannemelijk te maken dat hij gedurende zijn stage bij [naam] als migrerend werknemer kon worden beschouwd. Volgens de CRvB mogen aan het bewijs hoge eisen worden gesteld. Met wat eiser naar voren heeft gebracht is voor de rechtbank niet objectief vast komen te staan dat een andere invulling aan de overeenkomst moet worden gegeven dan die van een stage in het kader van de studie van eiser aan de TU/e. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet duidelijk kunnen maken wat de meerwaarde van zijn werk is geweest en of het werk betekenis heeft [8] in economische zin. De rechtbank is van oordeel dat bij toepassing van de genoemde uitgangspunten op de situatie van eiser geen sprake is geweest van reële en daadwerkelijke arbeid. Daartoe wordt het volgende overwogen.
7. Eiser heeft als schriftelijk bewijs de stageovereenkomst (van 9 september 2024) en de verklaringen van [naam] van 31 oktober 2024, 28 februari 2025 en 1 juli 2025 overgelegd. Op de zitting bij de rechtbank heeft eiser een mondelinge verklaring afgelegd over de werkzaamheden die hij bij [naam] heeft verricht.
7.1.
In de stageovereenkomst staat dat eiser zich zal bezighouden met de studieopdracht: Software Engineering Internship: Software Tool Development onder supervisie van [naam] . Volgens de stageovereenkomst start de stage op 14 oktober 2024 en eindigt deze uiterlijk op 30 juni 2025 (artikel 2.1.). Eiser zal geheimhouding betrachten en zal de resultaten van zijn opdracht beschikbaar stellen aan [naam] (artikel 3). De vergoeding is € 600 per maand bruto bij een fulltime stage (artikel 5). Op de stageovereenkomst is de Nederlandse wetgeving van toepassing (artikel 8). Bij conflicten over de stage zal [naam] contact opnemen met de supervisor van TU/e (artikel 8). Een ander contract zit niet bij de gedingstukken behorende bij de beroepszaak van eiser.
7.2.
Uit de stageovereenkomst blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dat de werkzaamheden die eiser voor [naam] heeft verricht een reële economische meerwaarde hebben gehad voor [naam] . De stageovereenkomst biedt daartoe onvoldoende concrete aanwijzingen.
7.3.
Met de verklaringen van [naam] is evenmin het objectieve bewijs geleverd dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB wordt vereist. De verklaringen van [naam] bevatten naar het oordeel van de rechtbank te veel tegenstrijdigheden om hier voldoende waarde aan toe te kunnen kennen. In de verklaring van 31 oktober 2024 heeft [naam] aangegeven dat eiser verantwoordelijk zal zijn voor het leren van Mendix en het ontwikkelen van een applicatie in Mendix. Eiser zal al zijn tijd (vier dagen per week) besteden aan de ontwikkeling van deze applicatie. Eiser zal tijdens zijn stage geen reguliere werkzaamheden verrichten voor [naam] . In de verklaring van 28 februari 2025 komt [naam] hiervan terug en geeft aan dat eiser naast zijn stage ook reguliere werkzaamheden heeft verricht. Een beschrijving van deze werkzaamheden geeft [naam] niet in deze verklaring. Die beschrijving geeft [naam] in zijn verklaring van 1 juli 2025. Uit die beschrijving maakt de rechtbank op dat de reguliere werkzaamheden dezelfde activiteiten zijn als de activiteiten die eiser in het kader van zijn stage verricht. Ook zijn de verklaringen van [naam] niet een verklaring van iemand met wie eiser heeft samengewerkt bij [naam] . Uit niets blijkt dat de inhoud van de verklaringen van [naam] is gebaseerd op informatie van één of meer werknemers van [naam] (zoals bijvoorbeeld [naam] ) die betrokken waren bij, en daarmee daadwerkelijk zicht hadden op, de concrete (stage)activiteiten van eiser. Deze verklaringen maken in samenhang bezien onvoldoende duidelijk dat de (stage)activiteiten van eiser niet alleen gericht waren op het vergaren van kennis en vaardigheden, maar dat daarbij ook sprake was van het verrichten van productieve arbeid voor [naam] .
7.4.
Op de zitting heeft eiser een toelichting gegeven op de werkzaamheden die hij bij [naam] heeft verricht. Zo heeft hij aangegeven dat hij in de eerste week heeft geleerd om te werken met Mendix. Daarna heeft hij applicaties ontwikkeld met behulp van Mendix. Hij heeft alleen gewerkt of samen met zijn manager Arslan. De werkzaamheden die eiser voor [naam] heeft verricht staan los van zijn studie aan de TU/e. De werkzaamheden werden aangeboden op de careersite van [naam] . Eiser heeft gesolliciteerd op de vacature en is door [naam] aangenomen voor dit werk. Het doel van de werkzaamheden was om werkervaring op te doen en academische steun te leveren aan [naam] . Eiser is ingezet om [naam] verder te helpen. Dat heeft hij ook gedaan. De werkzaamheden zijn na zijn vertrek overgenomen en voortgezet door een werknemer van [naam] .
7.5.
Wat eiser op zitting heeft verklaard vindt geen steun in de stageovereenkomst, de verklaringen van Los of enig ander bewijsstuk. Zonder ondersteuning door ander bewijs komt aan de verklaring van eiser daarom onvoldoende bewijswaarde toe en is er dus geen onderbouwing van zijn standpunt dat hij naast zijn stage ook reële en daadwerkelijke arbeid voor [naam] heeft verricht. De conclusie uit het voorgaande is dat uit het door eiser geleverde bewijs niet valt af te leiden dat de (stage)activiteiten niet alleen gericht waren op het vergaren van kennis en vaardigheden, maar dat ook sprake was van het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid voor [naam] Dit betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij tijdens zijn stage als migrerend werknemer kan worden aangemerkt zodat hij aan de stage geen recht op studiefinanciering kon ontlenen.
Bewijsaanbod
8. Het aanbod van eiser op zitting om [naam] alsnog te laten verklaren over de activiteiten die hij onder zijn toezicht heeft verricht wijst de rechtbank af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om in een eerder stadium van de beroepsprocedure bewijsstukken in het geding te brengen ter onderbouwing van zijn standpunt. Gesteld noch gebleken is dat eiser niet in staat is geweest deze informatie reeds eerder over te leggen. De rechtbank laat het algemene belang van een doelmatige procesgang prevaleren boven het belang van eiser bij het alsnog in het geding brengen van deze stukken en wijst het bewijsaanbod af.
Conclusie migrerend werknemerschap
9. Eiser heeft met de door hem overgelegde objectieve gegevens en de mondelinge toelichting niet aannemelijk gemaakt dat hij in het kader van zijn stage reële en daadwerkelijke arbeid voor [naam] heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht beslist dat eiser tijdens zijn stage niet als migrerend werknemer valt aan te merken en in de maanden september 2024 tot en met december 2024 geen recht heeft op de door hem aangevraagde studiefinanciering.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister terecht heeft vastgesteld dat eiser vanaf september 2024 geen migrerend werknemer is en dus geen recht heeft op studiefinanciering. Eiser krijgt dus geen gelijk. Omdat het beroep ongegrond is krijgt eiser het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Jong, rechter, in aanwezigheid van
E.H.J.M.T. van der Steen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Voetnoten

1.Wet studiefinanciering 2000
2.Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
5.ECLI:NL:CRVB:2-24:422. Zie verder ook de uitspraken van dezelfde datum met de nummers ECLI:NL:CRVB:2024:382 en ECLI:NL:CRVB:2024:408.
7.https://wetten.overheid.nl/BWBR0049680.
8.Technische Universiteit Eindhoven