ECLI:NL:CRVB:2024:1203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling migrerend werknemerschap en studiefinancieringsrecht over periode januari-juni 2020
Appellant, een Spaanse nationaliteit bezittende student, had voor de periode augustus tot en met oktober 2019 studiefinanciering toegekend gekregen. Voor de periode november 2019 tot en met augustus 2020 werd zijn aanvraag afgewezen omdat hij volgens de minister niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt. De rechtbank stelde vast dat appellant in november en december 2019 wel migrerend werknemer was, maar niet van januari tot en met augustus 2020 vanwege marginale arbeid.
In hoger beroep beperkte appellant zich tot de periode januari tot en met juni 2020 en voerde aan dat hij in januari tot en met maart 2020 als migrerend werknemer werkte en daarna de status behield tot vertrek in juli 2020. De Raad toetste dit aan het nieuwe beleid van de minister, dat een urencriterium hanteert van gemiddeld 32 uur per maand of minimaal 24 uur per maand gedurende zes maanden, met ruimte voor individuele uitzonderingen.
Uit de salarisspecificaties bleek dat appellant in januari tot en met maart 2020 slechts 16 uur per maand werkte en niet voldeed aan het urencriterium. Ook over de periode oktober 2019 tot en met maart 2020 werd niet voldaan aan het criterium van gemiddeld 24 uur per maand. Appellant leverde geen bewijs voor uitzonderingen. Omdat appellant geen migrerend werknemer was in januari tot en met maart 2020, kon hij ook geen behoud van werknemerschap claimen voor april tot en met juni 2020.
De Raad concludeerde dat appellant geen recht had op studiefinanciering in de bestreden periode en bevestigde de aangevallen uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op studiefinanciering in de periode januari tot en met juni 2020 omdat hij niet als migrerend werknemer kan worden aangemerkt.