Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
Stichting Consent, uit Enschede, eiseres
Samenvatting
Procesverloop
23 januari 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering in verband met werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100% toegekend. Met het besluit van 29 januari 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dit besluit gebleven.
Totstandkoming van de bestreden besluiten
1 maart 2025 volledig en duurzaam arbeidsongeschikt geacht en hem met ingang van die datum in aanmerking gebracht voor een IVA-uitkering. Dit besluit berust onder meer op een onderzoek van de verzekeringsarts van 2 oktober 2025. Deze heeft geconcludeerd dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. In maart 2025 was ex-werknemer niet meer opgenomen, maar er was op dat moment nog wel sprake van ernstige en forse problematiek. Er was feitelijk nog sprake van een situatie van marginale mogelijkheden. Een FML is daarom opgesteld. De voornaamste beperkingen liggen daarbij op het vlak van het persoonlijk en sociaal functioneren en op energetisch vlak. Omdat de eerste ziektedag door het UWV eerder op 7-1-2020 is gesteld en omdat het naar verwachting nog geruime tijd zal gaan duren voordat ex-werknemer weer stabiel genoeg is om loonvormende arbeid te kunnen verrichten, heeft de verzekeringsarts ervoor gekozen om de beperkingen nu wel duurzaam te achten.
Standpunten van partijen
Gezien bovenstaande is volgens eiseres sprake van een doorlopende ziekmelding sinds 1 mei 2019. Met het bestreden besluit heeft het UWV niet voldaan aan de opdracht van de rechtbank, omdat het bestreden besluit nog steeds onvoldoende gemotiveerd is.
Ten slotte stelt eiseres dat de ex-werknemer tweemaal door dezelfde verzekeringsarts bezwaar en beroep is gezien. Eenmaal in bezwaar, en eenmaal na de terugverwijzing door de rechtbank. Dit is onzorgvuldig.
Beoordeling door de rechtbank
Zij geeft daarvoor de volgende redenen.
De bestreden besluiten zijn daarom in strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank kan aan dit gebrek voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende door schending van het motiveringsbeginsel is benadeeld, omdat eerdere kennisname ervan niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid. Daarom passeert de rechtbank het gebrek.