ECLI:NL:RBOVE:2026:3610

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ak_24_3893
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.7 WnbArt. 2.8 WnbArt. 6 lid 3 HabitatrichtlijnArt. 7:12 AwbArt. 8:72 lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging positieve weigering natuurvergunning wegens onjuiste toepassing intern salderen

De zaak betreft een beroep van Coöperatie Mobilisation for the Environment tegen het besluit van Gedeputeerde Staten (GS) van Overijssel om een natuurvergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) positief te weigeren aan een maatschap voor wijziging van haar rundvee- en varkenshouderij. GS baseerde de weigering op AERIUS-berekeningen waaruit zou blijken dat de wijziging niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, waarbij intern salderen in de voortoets werd toegepast.

De rechtbank volgt de recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (18 december 2024) die stelt dat intern salderen in de voortoets niet is toegestaan. Hierdoor berust het bestreden besluit op een onjuiste grondslag en moet worden vernietigd. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven, waarbij het van belang is of de aangevraagde activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project als de vergunde situatie.

De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de aangevraagde activiteit verschilt in dieraantallen, diercategorieën en deels in locatie van de stallen, waardoor de vereiste continuïteit en volledige overeenstemming ontbreken. Dit betekent dat sprake is van een nieuw project waarvoor een natuurvergunning vereist is. GS moet daarom opnieuw op de aanvraag beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt GS veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan MOB.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat intern salderen onrechtmatig is toegepast en de aangevraagde activiteit een nieuw project vormt waarvoor een vergunning vereist is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3893

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A.en
Stichting Mobilisation for the Environment, uit Nijmegen, eisers (MOB, tezamen en in enkelvoud),
gemachtigde: mr. M. Woudwijk,
en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel, verweerder (GS).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende], uit [vestigingsplaats],
(de maatschap),
gemachtigde: mr E.T. Stevens.

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak gaat over de zogenaamde positieve weigering van GS om aan de maatschap een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) te verlenen voor het wijzigen van haar rundvee- en varkenshouderij, omdat volgens GS voor de aangevraagde situatie geen vergunning is vereist. Daaraan heeft GS ten grondslag gelegd dat uit AERIUS-berekeningen volgt dat de aangevraagde situatie, ten opzichte van de vergunde situatie, niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2024 volgt echter dat deze benadering, waarbij intern salderen in de voortoets is toegepast, niet is toegestaan. Het besluit tot weigering van de vergunning berust daarom op een onjuiste grondslag en wordt vernietigd.
1.2.
De rechtbank beoordeelt vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij is doorslaggevend of de aangevraagde activiteit ten opzichte van de activiteit waarvoor de maatschap een natuurvergunning heeft, kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, omdat de aangevraagde activiteit niet onder ongewijzigde voorwaarden wordt voortgezet en daarom verschilt van de vergunde activiteit. Daardoor is sprake van een nieuw project waarvoor een natuurvergunning is vereist met de daarbij behorende passende beoordeling en kunnen de rechtsgevolgen niet in stand blijven. Het beroep is gegrond. GS moet opnieuw op de aanvraag van de maatschap beslissen.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 23 september 2024 (het bestreden besluit) heeft GS de aanvraag van de maatschap voor een vergunning op grond van de Wnb afgewezen.
2.2
MOB heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3
Bij brief van 20 maart 2025 heeft de rechtbank aan partijen gevraagd om aan te geven welke gevolgen de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 [1] (hierna: de 18 december-uitspraken) hebben voor (de beoordeling van) het beroep en het bestreden besluit.
2.4
MOB en GS hebben gereageerd op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025. Ook heeft GS met een verweerschrift op het beroep van MOB gereageerd.
2.5
Daarna hebben MOB en GS nog aanvullende stukken ingediend en op elkaars standpunten gereageerd.
2.6
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 24/2900, op 23 april 2026 op zitting behandeld. Namens MOB heeft haar gemachtigde aan de zitting deelgenomen. GS heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2]. Namens de maatschap is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding; de feiten
3.1
De maatschap exploiteert op het perceel [adres] een rundvee- en varkenshouderij. Bij besluit van 3 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente (hierna: het college) hiervoor op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan de maatschap een omgevingsvergunning verleend. Deze vergunning ziet onder meer op het oprichten en in werking hebben van de inrichting en het verrichten van handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden. [2] Omdat de omgevingsvergunning van 3 mei 2019 mede betrekking heeft op het verrichten van handelingen met gevolgen voor Natura 2000-gebieden, heeft het college voor dit onderdeel aan GS gevraagd om op grond van de Wnb een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) af te geven. Bij besluit van 12 april 2019 heeft GS dat gedaan. Uit dit besluit blijkt dat GS het verzoek van het college om een vvgb af te geven heeft beoordeeld op basis van het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS). GS heeft geconcludeerd dat de vvgb op basis van het PAS kon worden afgegeven.
3.2
Bij besluit van 11 januari 2023 heeft het college de vergunning van 3 mei 2019 gedeeltelijk ingetrokken. Het ingetrokken deel van de vergunning van 11 januari 2023 betreft het houden van 445 vleesvarkens (Rav-code D 3.100) in stal 3. Ten behoeve van het intrekkingsbesluit van 11 januari 2023 heeft GS bij besluit van 21 december 2022 de op
12 april 2019 verleende vvgb ook gedeeltelijk ingetrokken.
3.3
De situatie waarvoor de maatschap na het intrekkingsbesluit van 11 januari 2023 een vergunning heeft (hierna: de vergunde situatie) is als volgt:
stal 1: 1.670 vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden,
opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking (Rav-code D 3.2.8);
stal 5: 164 vleeskalveren tot circa 8 maanden (Rav-code A 4.100);
stal 5: 73 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 maanden tot 24 maanden
(Rav-code A 6.100);
stal 6: 54 vleeskalveren tot circa 8 maanden (Rav-code A 4.100);
stal 6: 56 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 maanden tot 24 maanden
(Rav-code A 6.100).
3.4
Op 26 november 2021 heeft de maatschap bij GS een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb voor het wijzigen van de rundvee- en varkenshouderij. Na deze datum heeft de maatschap nog nadere stukken ingediend ter aanvulling van de aanvraag. De maatschap heeft een Wnb-vergunning aangevraagd voor het houden van:
stal 1: 1.670 vleesvarkens, opfokberen van circa 25 kg tot 7 maanden,
opfokzeugen van circa 25 kg tot eerste dekking (Rav-code D 3.2.8);
stal 2: 71 fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar (Rav-code A 7.100);
stal 2: 73 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 maanden tot 24 maanden
(Rav-code A 6.100);
stal 6: 54 vleeskalveren tot circa 8 maanden (Rav-code A 4.100);
stal 6: 56 vleesstieren en overig vleesvee van circa 8 maanden tot 24 maanden
(Rav-code A 6.100).
3.5
Op 30 juli 2024 heeft GS een ontwerpbesluit op de aanvraag bekendgemaakt, waarna dit ontwerpbesluit en de daarbij behorende stukken zes weken ter inzage hebben gelegen. Tijdens deze periode heeft MOB een zienswijze ingediend.
3.6
In het bestreden besluit heeft GS geweigerd om de gevraagde Wnb-vergunning aan de maatschap te verlenen, omdat volgens GS voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig is. Hieraan heeft GS ten grondslag gelegd dat uit de berekeningen die op 13 juni 2024 zijn gemaakt met AERIUS Calculator blijkt dat de aangevraagde situatie, ten opzichte van de vergunde situatie, niet leidt tot een (relevante) toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied. Omdat de aangevraagde situatie ten opzichte van de vergunde situatie (door GS aangemerkt als de referentiesituatie) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied, kan volgens GS worden uitgesloten dat de aangevraagde situatie leidt tot een verslechtering van de kwaliteit van omliggende Natura 2000-gebieden. Daarom is voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning vereist, aldus GS in het bestreden besluit. Deze methode van vergelijking van de aangevraagde situatie met de referentiesituatie heet intern salderen. De weigering om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb te verlenen omdat die niet nodig is, heet een ‘positieve weigering’.
De 18 december-uitspraken
4. In de 18 december-uitspraken heeft de Afdeling, naar aanleiding van jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), haar rechtspraak over intern salderen gewijzigd. Die wijziging houdt kort weergegeven in dat de referentiesituatie niet meer mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van een project op voorhand zijn uitgesloten. In de voortoets mag dus, anders dan voorheen, voor de beoordeling of significante gevolgen van een project zijn uitgesloten, geen vergelijking worden gemaakt van de gevolgen van de bestaande vergunde situatie en de gevolgen van het project na wijziging. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen niet op voorhand zijn uitgesloten, dan is voor het project een natuurvergunning nodig. Bij de beoordeling of de natuurvergunning kan worden verleend kan intern salderen met de referentiesituatie nog wel een rol spelen. Intern salderen met de referentiesituatie mag namelijk als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling van het project.
Verder blijkt uit de 18 december-uitspraken dat van een project in ieder geval sprake is als op een locatie een geheel nieuwe activiteit wordt gerealiseerd. Voor de vraag wanneer de wijziging van een bestaande activiteit een project is, is het Stadt-Papenburg-arrest [3] en punt 35 van het AquaPri-arrest [4] van belang. Daaruit volgt dat wanneer een project, dat beschikt over een natuurtoestemming of een milieutoestemming van voor de referentiedatum die nadien is gecontinueerd, niet langer als één-en-hetzelfde project wordt voortgezet, sprake is van een gewijzigd en daarmee van een nieuw project. Dat nieuwe project is het bestaande project zoals dat na de wijziging zal worden voortgezet. In de voortoets moeten de gevolgen van het gehele project na wijziging worden beoordeeld. [5]
Gewijzigd standpunt GS
5. In zijn reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 heeft GS aangegeven dat uit de 18 december-uitspraken volgt dat het afzetten van de gevolgen van de aangevraagde situatie tegen de gevolgen van de referentiesituatie (het intern salderen) niet had mogen plaatsvinden in de voortoets, maar in een passende beoordeling had moeten worden gedaan. GS blijft van mening dat voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig is en dat de ‘positieve weigering’ van de vergunning in stand kan worden gelaten. Volgens GS blijkt uit de rechtsoverwegingen 17 en 17.5 van de uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923 namelijk dat wanneer een project een voortzetting is van één-en-hetzelfde project geen vergunningplicht op grond van de Wnb geldt en niet hoeft te worden beoordeeld of het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Volgens GS is de aangevraagde activiteit een voortzetting van één-en-hetzelfde project. Geringe wijzigingen maken volgens GS niet dat sprake is van een geheel nieuw project dat opnieuw beoordeeld moet worden op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb dan wel artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn (Hrl). [6]
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
Wnb blijft van toepassing
6.1
Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wnb is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
6.2
De aanvraag voor een Wnb-vergunning is ingediend op 26 november 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Wnb, van toepassing blijft zoals dat gold vóór 1 januari 2024.
6.3
De voor deze zaak belangrijke regelgeving, zoals die luidde vóór 1 januari 2024, is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Gevolgen 18 december-uitspraken voor het bestreden besluit
7.1
In de 18 december-uitspraken heeft de Afdeling bepaald dat de wijziging van de rechtspraak over interen salderen direct van toepassing is in lopende natuurvergunning-procedures. Hieruit volgt dat, omdat in het bestreden besluit op basis van intern salderen in de voortoets is geconcludeerd dat de maatschap voor de aangevraagde situatie geen Wnb-vergunning nodig heeft, het bestreden besluit op een onjuiste grondslag berust. Het college heeft dit in zijn reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 ook erkend. Dit betekent dat het beroep alleen al om deze reden gegrond is en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb moet worden vernietigd.
7.2
In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Dat is het geval als het standpunt van het college, dat sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde-project waarvoor geen nieuwe Wnb-vergunning is vereist, juist is. Dit standpunt zal de rechtbank daarom beoordelen aan de hand van wat MOB daartegen in beroep aanvoert.
De referentiesituatie
8.1
MOB is van mening dat de vergunde situatie niet als referentiesituatie kan dienen, omdat die op basis van het PAS is vergund, terwijl de Afdeling in 2019 heeft geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die het Hof daaraan stelt. [7] De omgevingsvergunning van 3 mei 2019 en de vvgb van 12 april 2019 zijn daarom niet correct passend beoordeeld. Om die reden wordt de vergunde situatie in dit geval ten onrechte als referentiesituatie gehanteerd. Ter onderbouwing hiervan wijst MOB onder meer op een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 14 juni 2023 [8] en op het AquaPri-arrest van het Hof.
8.2
GS stelt dat uit de rechtsoverwegingen 18.3 tot en met 18.7 van de 18 december-uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923 volgt dat een PAS-vergunning kan worden aangemerkt als referentiesituatie en dat de vergunde situatie in dit geval terecht als zodanig is gehanteerd.
8.3
In de door GS genoemde 18 december-uitspraak overweegt de Afdeling dat de referentiesituatie die in een passende beoordeling kan worden betrokken, wordt ontleend aan de natuurvergunning voor het toegestane project op de locatie waar de beoogde activiteit is voorzien. Verder volgt volgens de Afdeling uit rechtspraak van het Hof, waaronder het AquaPri-arrest, niet dat een eerder niet toereikend passend beoordeelde vergunning per definitie aan een herbeoordeling op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl hoeft te worden onderworpen. De Afdeling acht het ontlenen van een referentiesituatie aan een natuurvergunning die niet toereikend passend is beoordeeld, niet in strijd met het Unierecht of het beginsel van Unietrouw. [9]
8.4
Op basis van deze overwegingen en conclusies uit de 18 december-uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4912 is de rechtbank van oordeel dat GS de vergunde situatie terecht als referentiesituatie heeft gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of nog sprake is van één-en-hetzelfde project. Daarbij gaat het om de vergunde situatie en niet om de feitelijke situatie. MOB heeft ook aangevoerd dat stal 5 niet meer aanwezig was toen de vvgb van 21 december 2022 werd afgegeven en het intrekkingsbesluit van 11 januari 2023 werd genomen. Dat betreft de feitelijke situatie en kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de vergunde situatie in dit geval niet als referentiesituatie kan worden gehanteerd bij de vraag of nog sprake is van één-en-hetzelfde project. De rechtbank merkt hierbij op dat MOB ter zitting ook heeft erkend dat het in deze zaak met name gaat om de vraag of de aangevraagde situatie nog kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project als de vergunde situatie.
Is sprake van één-en-hetzelfde project?
9.1
MOB voert aan dat de aangevraagde situatie niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project als de vergunde situatie omdat tussen het oude en het nieuwe project geen sprake is van volledige overeenstemming. Daarbij stelt zij onder meer dat de nieuwe stal 2 gedeeltelijk een ander stalsysteem krijgt dan de voormalige stal 5 had. Ter onderbouwing van haar betoog wijst MOB onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025. [10] Volgens MOB is de situatie waar het in deze zaak om gaat vergelijkbaar met de situatie waarop die uitspraak ziet.
9.2.1
Volgens GS vormt de eis van ‘volledige overeenstemming’ een te strikt criterium voor de beoordeling van de vraag of sprake is van één-en-hetzelfde project. Dat criterium leidt ertoe dat de toepassing van het begrip ‘één-en-hetzelfde project’ zinledig wordt. Volgens GS moet bij de beoordeling op dit punt ook worden gekeken naar de aard, identiteit en continuïteit van een project. Ter onderbouwing hiervan wijst GS op uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland en Oost-Brabant van 24 juli 2025 respectievelijk 5 februari 2026 [11] en op het artikel ‘Eén-en-hetzelfde project, maar niet één-en-dezelfde vertaling’, van mr. drs. N. Kusters en mr. G. Koop. [12]
9.2.2
GS is van mening dat in dit geval wel sprake is van één-en-hetzelfde project. De aangevraagde activiteit is namelijk een voortzetting van de bestaande activiteit, met geringe wijzigingen. Die wijzigingen leiden volgens GS niet tot een wijziging van de identiteit en continuïteit van de bedrijfsvoering. Het gaat namelijk nog steeds om het in werking hebben van een rundvee- en varkenshouderij. Verder hebben zowel stal 5 in de oude situatie als stal 2 in de nieuwe situatie een traditioneel stalsysteem. Dat die systemen verschillende namen hebben, maakt volgens GS niet dat het stalsysteem in de nieuwe stal 2 wijzigt ten opzichte van de voormalige stal 5. Ook vinden de activiteiten plaats in gebouwen die in de vergunde situatie ook al op het perceel aanwezig waren. Er worden geen nieuwe opstallen gebouwd. GS is van mening dat de wijzigingen gering en naar hun aard ondergeschikt zijn en niet leiden tot het ontstaan van een nieuw project. Daarom is volgens GS geen sprake van een nieuwe vergunningplicht en is de aanvraag van de maatschap terecht ‘positief’ geweigerd.
9.3
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat in de aangevraagde situatie stal 5 niet meer wordt gebruikt dan wel aanwezig is en dat daarvoor in de plaats stal 2 in gebruik wordt genomen. Stal 2 staat op een andere locatie dan stal 5. In de aangevraagde situatie worden, ten opzichte van de vergunde situatie, minder vleeskalveren tot circa 8 maanden gehouden (164 stuks, in de voormalige stal 5; Rav-code A 4.100 (overige huisvestingssystemen)) en meer fokstieren en overig rundvee ouder dan 2 jaar gehouden (71 stuks, in de nieuwe stal 2; Rav-code A 7.100 (overige huisvestingssystemen)).
9.4
In de door MOB genoemde uitspraak van 23 juli 2025 verwijst de Afdeling naar punt 86 van het PAS-arrest van het Hof. [13] Daarin heeft het Hof overwogen dat een activiteit kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project waarvoor geen nieuwe beoordeling nodig is op grond van artikel 6, derde lid, van de Hrl, mits het daarbij gaat om één enkele verrichting die zich kenmerkt door een gemeenschappelijk doel, continuïteit en volledige overeenstemming, met name wat betreft de plaatsen waar en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd.
9.5
Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval de aangevraagde activiteit niet meer worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project als de vergunde activiteit, omdat beide activiteiten van elkaar verschillen. De dieraantallen en -soorten wijzigen en de verschillende dieren worden ook gedeeltelijk in verschillende stallen gehouden. Daarmee ontbreekt de vereiste continuïteit en overeenstemming met name wat betreft de plaats en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgevoerd. Indien een activiteit niet onder dezelfde voorwaarden wordt voortgezet maar wordt gewijzigd, moet zij worden aangemerkt als een nieuw project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Hrl. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangevraagde activiteit een nieuw project vormt waarvoor moet worden beoordeeld of significante gevolgen voor Natura 2000‑gebieden op voorhand zijn uitgesloten. Nu GS die beoordeling niet heeft verricht maar de aanvraag positief heeft geweigerd, kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

10.1
Het beroep is gegrond. Dat betekent dat MOB gelijk krijgt en dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit kunnen niet in stand blijven. Dat heeft tot gevolg dat GS opnieuw op de aanvraag van de maatschap moet beslissen met inachtneming van deze uitspraak.
10.2
Omdat het beroep gegrond is, moet GS het betaalde griffierecht aan MOB vergoeden. Ook moet GS aan haar een proceskostenvergoeding betalen. De proceskosten bestaan alleen uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De vergoeding daarvoor stelt de rechtbank op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.335 (1 punt voor het indienen van het beroep, 0,5 punt voor de reactie op de brief van de rechtbank van 20 maart 2025 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: 934; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 23 september 2024;
  • veroordeelt GS in de proceskosten van MOB tot een bedrag van € 2.335;
  • gelast GS het griffierecht van € 371 aan MOB te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, voorzitter, en mr. A.L.M. Steinebach-de Wit en mr. B.A.J. Haagen, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: juridisch kader

Habitatrichtlijn
Artikel 6
(…)
3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
(…)
Wet natuurbescherming
Artikel 2.7
(…)
2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.
3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan artikel 2.8.
(…)
Artikel 2.8
1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
(…)

Voetnoten

2.Activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e en i, van de Wabo.
3.Arrest van het Hof van 14 januari 2010, C-226/08, ECLI:EU:C:2010:10.
4.Arrest van het Hof van 10 november 2022, C-278/21, ECLI:EU:C:2022:864.
5.Zie bijvoorbeeld de rechtsoverwegingen (r.o.) 1.4, 1.5 en 16 tot en met 17.5 van de uitspraak met nummer ECLI:NL:RVS:2024:4923.
6.Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
7.Uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603.
9.R.o. 18.1 tot en met 18.7 van ECLI:NL:RVS:2024:4923.
12.Tijdschrift Natuurbeschermingsrecht (NBR), 2025/285, p. 11-16.
13.Arrest van 7 november 2018, C-293/17 en C-294/17, ECLI:EU:C:2018:882.