ECLI:NL:RBOVE:2026:651

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
ak_23_192
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2.1 WnbArt. 2.9 Aanvullingswet natuur OmgevingswetHabitatrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden met behoud rechtsgevolgen vernietigde delen

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden van 22 november 2022, waarin habitattypen aan Natura 2000-gebieden zijn toegevoegd. De rechtbank beoordeelt of deze toevoegingen terecht zijn en of de procedure zorgvuldig is verlopen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder de habitattypen op basis van kaarten en aanvullende motivering terecht heeft toegevoegd, behalve voor het habitattype moerasspirea (H6430A) in Rottige Meenthe & Brandemeer en harig wilgenroosje (H6430B) in Zwarte Meer, waarvoor de motivering onvoldoende is. Eiseres heeft aangevoerd dat de procedure onzorgvuldig was en dat de gevolgen voor haar bedrijfsvoering onvoldoende zijn meegewogen.

De rechtbank oordeelt dat de procedure niet onzorgvuldig was en dat de bedrijfsbelangen van eiseres geen doorslaggevende rol mogen spelen bij de ecologische aanwijzing. De rechtbank verklaart het beroep gegrond vanwege de onvoldoende motivering voor de genoemde habitattypen, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand blijven. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege onvoldoende motivering voor twee habitattypen, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 23/192
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaats], eiseres,
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur(rechtsopvolger van de minister voor Natuur en Stikstof), verweerder.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het Wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden (hierna: het wijzigingsbesluit) van verweerder van 22 november 2022.
De formeel bevoegde rechtbank Gelderland heeft deze rechtbank gevraagd de zaak te behandelen, omdat het beroep hier is ingesteld. Deze rechtbank heeft hiermee ingestemd en heeft dat bij brief van 6 april 2023 aan partijen meegedeeld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 14 december 2023 en 26 januari 2024 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank uitspraak gedaan op zeven andere beroepen tegen het wijzigingsbesluit. [1] Bij brieven van
3 juni 2024 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken op die uitspraken te reageren. Eiseres en verweerder hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Per brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank verweerder gevraagd om voor een aantal Natura 2000-gebieden de daarvoor bedoelde, nog niet gepubliceerde habitattypenkaarten
- voor zover die bestaan - alsnog te publiceren en aan de rechtbank toe te sturen. In het geval dat die kaarten niet bestaan, heeft de rechtbank verweerder gevraagd om ten aanzien van de in de brief van 15 april 2025 genoemde habitattypen op toetsbare wijze kenbaar te maken waar die zijn aangetroffen in de betreffende Natura 2000-gebieden, met de vermelding van de totale oppervlakte van die vindplaatsen.
Hierop heeft verweerder bij brief van 29 april 2025 gereageerd. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden mogelijkheid om daarop te reageren.
Bij brieven van 28 november 2025 heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak een zitting te houden. Aangegeven is dat, als een partij op een zitting wil worden gehoord, zij dat binnen twee weken moet laten weten.
Partijen hebben binnen deze termijn niet aangegeven een zitting te willen. Daarop heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Aanvullingswet natuur Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Aanvullingswet natuur Omgevingswet voor een ambtshalve te nemen besluit een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit op de voorbereiding waarvan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, blijft op grond van artikel 2.9, tweede lid, onder a, van de Aanvullingswet natuur Omgevingsrecht het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.
Het wijzigingsbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit is op 9 maart 2018 ter inzage gelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Juridisch kader
2.1
De relevante juridische bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
2.2
Uit de Habitatrichtlijn (Hrl) [2] volgt dat op het Europees grondgebied een ecologisch netwerk van speciale beschermingszones wordt gevormd. Dat netwerk bestaat uit door lidstaten aan te wijzen Natura 2000-gebieden. Een gebied moet als zodanig worden aangewezen, wanneer in dat gebied een bepaald type natuurlijke habitat of habitat van een bepaalde soort aanwezig is die staat genoemd in bijlage I of II van de Hrl. Lidstaten zijn verplicht om maatregelen te treffen om die habitats in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
2.3
Deze Europeesrechtelijke verplichting is in de nationale wetgeving geïmplementeerd in artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In dat artikel, zoals dat luidde tot 1 januari 2024, staat dat de minister ter uitvoering van artikel 3, tweede lid, van de Hrl gebieden in Nederland aanwijst als speciale beschermingszones, die worden aangeduid als ‘Natura 2000-gebied’. Ook staat in dat artikel dat de minister bevoegd is om een dergelijk aanwijzingsbesluit te wijzigen. [3]
Het wijzigingsbesluit
3.1
Vanaf 2008 zijn de Nederlandse Natura 2000-gebieden aangewezen door middel van verschillende aanwijzingsbesluiten. Volgens verweerder is het belangrijk om, nadat dat proces is afgerond, na te gaan of in de Natura 2000-gebieden habitattypen en soorten voorkomen die niet zijn opgenomen in de aanwijzingsbesluiten. Uit de bepalingen van de Hrl volgt namelijk dat die waarden (in beginsel) in aanmerking komen om te worden beschermd. Ook blijkt volgens verweerder uit de uitleg die de Europese Commissie heeft gegeven en uit de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) dat álle habitattypen en soorten die in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, moeten worden aangewezen.
3.2
In het wijzigingsbesluit heeft verweerder niet aangewezen habitattypen en/of soorten integraal toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van ongeveer 100 Natura 2000-gebieden. De bedoeling hiervan is om deze habitattypen en soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Natura 2000-gebied al in voldoende mate en duurzaam aanwezig bleken te zijn, alsnog te beschermen. Hiermee beoogt verweerder te corrigeren wat ten aanzien van de te beschermen habitattypen en soorten niet goed is gegaan bij (het publiceren van) de oorspronkelijke aanwijzingsbesluiten. Met het wijzigingsbesluit zijn de te beschermen waarden en de daarvoor gestelde instandhoudingsdoelstellingen aan de betreffende aanwijzingsbesluiten toegevoegd. In een (beperkt) aantal gevallen bleken habitattypen en soorten op het moment van aanwijzen niet in voldoende mate en duurzaam aanwezig te zijn. Deze zijn met het wijzigingsbesluit verwijderd.
Het beroep van eiseres
4.1
In het aanvullend beroepschrift van 12 februari 2023 heeft eiseres specifiek de Natura 2000-gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer, De Wieden, Weerribben, Zwarte Water (de rechtbank neemt aan dat is bedoeld: Zwarte Meer) en Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht genoemd. Omdat eiseres in het aanvullend beroepschrift ook heeft aangegeven dat zij zich in dit beroep beperkt tot de habitattypen, gaat de rechtbank ervan uit dat het beroep is gericht tegen het toevoegen van habitattypen aan (de aanwijzingsbesluiten van) deze gebieden.
4.2
Eiseres heeft, kort samengevat, in beroep aangevoerd dat de gevoerde procedure onzorgvuldig is geweest, met name omdat de toe te voegen habitattypen via standaardgegevensformulieren (SDF-en) al in 2017 zijn geregistreerd in een databank van de Europese Commissie en de lijst met toe te voegen habitattypen al in januari 2018 is gepubliceerd. Volgens eiseres is daarmee niet de ingevolge het Verdrag van Aarhus vereiste, doeltreffende inspraak geboden. Daarnaast heeft zij gesteld dat het niet verplicht is om de Natura 2000-aanwijzingsbesluiten te corrigeren. Verder is eiseres van mening dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de toegevoegde habitattypen ten tijde van de aanwijzingsbesluiten al in de Natura 2000-gebieden aanwezig waren, mede omdat daarvoor een rapport is gebruikt dat daarvoor niet is bedoeld. Bovendien zijn de toegevoegde habitattypen in de meeste gevallen kleiner en van lagere kwaliteit dan de habitattypen uit de aanwijzingsbesluiten. Dit laat zien dat de habitattypen uit het wijzigingsbesluit op andere wijze zijn geselecteerd dan de eerder aangewezen habitattypen. Ook om deze reden kan niet zonder meer worden gesteld dat de toegevoegde habitattypen al aanwezig waren ten tijde van de aanwijzing van de Natura 2000-gebieden. Verder is het niet mogelijk om de ecologische onderbouwing van het wijzigingsbesluit te beoordelen en controleren, omdat meerdere databanken waarin natuurinformatie wordt vastgelegd niet publiekelijk toegankelijk zijn. Hierdoor is een ongelijkwaardige procespositie ontstaan en is het aan verweerder om de gemaakte keuzes en gebruikte gegevens en aannames op passende wijze openbaar te maken. Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het toevoegen van de habitattypen grote gevolgen heeft voor haar bedrijfsactiviteiten en -mogelijkheden vanwege de grote bescherming van Natura 2000-gebieden. Ook heeft het sociaal-maatschappelijk gezien, gevolgen voor de lokale leefgemeenschappen. Hierbij moet volgens eiseres worden gedacht aan stikstof (de kritische depositiewaarden) en water (risico op vernatting in aangrenzend landbouwgebied), maar ook aan de veiligheid voor bedrijven en lokale gemeenschappen. Eiseres vreest dat het wijzigingsbesluit grote gevolgen heeft voor de bestaande activiteiten en de waarde, financiering en ontwikkelruimte van haar bedrijf.
Beoordeling van het beroep
5.1
De rechtbank stelt vast dat in het wijzigingsbesluit habitattypen zijn toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van alle in overweging 4.1 genoemde Natura 2000-gebieden (hierna kortweg aangeduid als: de Natura 2000-gebieden). In het vervolg van deze uitspraak zal de rechtbank beoordelen of verweerder de betreffende habitattypen heeft kunnen toevoegen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden. De Natura 2000-gebieden liggen binnen een afstand van 25 km van beide bedrijfslocaties van eiseres, zodat zij kan worden aangemerkt als belanghebbende bij de toevoeging van habitattypen aan die gebieden in het wijzigingsbesluit. [4]
5.2
In het wijzigingsbesluit staat dat verweerder de habitattypen aan de aanwijzingsbesluiten van de Natura 2000-gebieden heeft toegevoegd, omdat die op de data van de publicaties van de aanwijzingsbesluiten (de peildata) in meer dan verwaarloosbare mate in die gebieden voorkwamen. Voor de onderbouwing van de conclusie dat de habitattypen op die peildata in meer dan verwaarloosbare mate in de Natura 2000-gebieden aanwezig waren, heeft verweerder verwezen naar de habitattypenkaarten die voor die gebieden zijn opgesteld.
5.3
Verweerder heeft voor de Natura 2000-gebieden twee soorten habitattypenkaarten overgelegd: één overzichtskaart, waarop is aangegeven waar de desbetreffende habitattypen op de peildata in de Natura 2000-gebieden voorkwamen, en één typenkaart, waarop is aangegeven hoe groot de oppervlaktes waren van de op de peildata aanwezige habitattypen. In een enkel geval heeft verweerder volstaan met één soort habitattypenkaart.
Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat habitattypen in meer dan verwaarloosbare mate voorkomen, als van dat type minimaal 0,01 hectare (100 m²) [5] aanwezig is. Voor bossen geldt een minimale oppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²).
5.4
De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling blijkt dat verweerder bij de vraag of een habitattype in een gebied in meer dan verwaarloosbare mate voorkomt mag uitgaan van de habitattypenkaarten. [6] Recent, in uitspraken van 2 juli 2025, heeft de Afdeling dit nog eens expliciet bevestigd. [7] De rechtbank ziet geen reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Dat verweerder onvoldoende heeft aangetoond dat de betreffende habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate in de Natura 2000-gebieden aanwezig waren, zoals eiseres heeft gesteld, volgt de rechtbank dan ook niet. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de habitattypenkaarten van de Natura 2000-gebieden dusdanige leemten of gebreken bevatten dat die niet aan het wijzigingsbesluit ten grondslag mogen worden gelegd.
5.5
De rechtbank heeft echter vastgesteld dat op de habitattypenkaarten voor het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer niet het habitattype moerasspirea (H6430A) voorkomt, terwijl dat in het wijzigingsbesluit wel aan het aanwijzingsbesluit van dat Natura 2000-gebied is toegevoegd. Daarnaast heeft de rechtbank vastgesteld dat het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) niet voorkomt op de habitattypenkaarten die verweerder voor het Natura 2000-gebied Zwarte Meer heeft overgelegd, terwijl dat habitattype in het wijzigingsbesluit wel aan het aanwijzingsbesluit van dat Natura 2000-gebied is toegevoegd. Op de habitattypenkaarten voor Zwarte Meer is met nummer ‘H9999’ aangegeven dat en waar ‘habitattypen mogelijk aanwezig’ zijn, met een oppervlakte van 251,11 ha.
In de eerder genoemde brief van 15 april 2025 heeft de rechtbank aan verweerder gevraagd om, als die bestaan, voor deze habitattypen nog de betreffende kaarten toe te sturen of, als die er niet zijn, op een andere, toetsbare wijze te onderbouwen dat die habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam in de Natura 2000-gebieden Zwarte Meer en Rottige Meenthe & Brandemeer aanwezig waren.
5.6.1
In de reactie van 29 april 2025 heeft verweerder over het Natura 2000-gebied Zwarte Meer onder meer het volgende aangegeven.
In de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit, onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’, staat dat de bij de habitattypenkaart vermelde vermoedelijke aanwezigheid van het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is bevestigd door vegetatieopnamen. In de toelichting op de wijziging van het aanwijzingsbesluit van Zwarte Meer (p. 242 en verder) staat dat dat habitattype in ieder geval met matige kwaliteit aanwezig is in de oeverlanden aan de noordoostzijde van het gebied. In het verleden is ook de goede kwaliteit aangetroffen in de vorm van de Rivierkruid-associatie; de naamgevende soort komt nog verspreid in het gebied voor, dus mogelijk ook de bijbehorende vegetatie. Verder heeft verweerder in de reactie van 29 april 2025 nader toegelicht dat en op welke wijze de aanwijzing van het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is gebaseerd op kaarten van en vegetatieopnamen door Rijkswaterstaat.
5.6.2
In de reactie van 29 april 2025 heeft verweerder over het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer onder meer het volgende aangegeven.
In de Nota van toelichting bij het wijzigingsbesluit, onder het kopje ‘Onderbouwing van de wijzigingen’, staat dat uit de vegetatie- en plantensoortenkartering Rottige Meenthe 2013 blijkt dat het habitattype moerasspirea (H6430A) ten onrechte op de habitattypenkaarten ontbreekt. Daarnaast staat in de toelichting op de wijziging van het aanwijzingsbesluit van Rottige Meenthe & Brandemeer (p. 83 en verder) dat het habitattype ruigten en zomen, moerasspirea (subtype A), voorkomt in de verlandingszone van de Veendijk, langs de vaart aan de noordrand van het gebied. Verder heeft verweerder in de reactie van 29 april 2025 nader toegelicht dat en op welke wijze op basis van de vegetatiekartering uit 2013 is vastgesteld dat het habitattype moerasspirea (H6430A) voorkomt in het Natura 2000-gebied. Het rapport van die kartering heeft verweerder als bijlage bij de brief van 29 april 2025 overgelegd.
5.7
Zoals de rechtbank in een uitspraak van 17 december 2025 [8] ook al heeft geoordeeld, heeft verweerder met de nadere uitleg voldoende aannemelijk gemaakt dat het habitattype moerasspirea (H6430A) op de peildatum in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam aanwezig was in het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer. Ook heeft de rechtbank in meerdere uitspraken van 17 december 2025 reeds geoordeeld dat datzelfde geldt voor het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) in het Natura 2000-gebied Zwarte Meer. [9] De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak daarover anders te oordelen. Eiseres heeft de nadere uitleg van verweerder ook niet bestreden. Wel vormt dit naar het oordeel van de rechtbank reden om het beroep van eiseres gegrond te verklaren, omdat uit het voorgaande blijkt dat het wijzigingsbesluit voor wat betreft het toevoegen van het habitattype moerasspirea (H6430A) aan het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer en het toevoegen van het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) aan het Natura 2000-gebied Zwarte Meer onvoldoende is gemotiveerd.
5.8
In de eerder genoemde uitspraken van 17 december 2025 heeft de rechtbank het wijzigingsbesluit vernietigd voor zover daarin het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer en voor zover daarin het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer.
Op basis van de nadere motivering die verweerder ook heeft overgelegd in de zaken waarop de genoemde uitspraken van 17 december 2025 zien, heeft de rechtbank in die uitspraken tevens met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven. Dat zal de rechtbank in deze uitspraak ook bepalen, mede gelet op het navolgende.
5.9
Uit rechtspraak van de Afdeling leidt de rechtbank af dat een lidstaat verplicht is om alle habitattypen van bijlage I en soorten van bijlage II van de Hrl die in een Natura 2000-gebied in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam voorkomen aan te wijzen dan wel toe te voegen en daarvoor instandhoudingsdoelstellingen te formuleren. [10] In een arrest van 12 september 2024 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) deze verplichting nog eens bevestigd. [11] De stelling van eiseres, dat het niet verplicht zou zijn om die habitattypen aan te wijzen, volgt de rechtbank daarom niet. Ook blijkt uit jurisprudentie van de Afdeling dat de door verweerder aangehouden minimumoppervlakte van 0,01 ha (100 m²) niet onredelijk is. [12] De rechtbank acht een minimumoppervlakte van 0,1 ha (1.000 m²) voor bossen evenmin onredelijk.
5.1
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat verweerder op basis van de habitattypenkaarten, en voor wat betreft de gebieden Rottige Meenthe & Brandemeer en Zwarte Meer ook op basis van de in beroep overgelegde aanvullende motivering, terecht heeft geconcludeerd dat de toegevoegde habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate voorkwamen in de Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft die habitattypen daarom terecht toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten van die gebieden.
5.11
Daarnaast volgt uit rechtspraak van zowel het Hof als de Afdeling dat uit de Hrl kan worden afgeleid dat bij de aanwijzing van een gebied als Natura 2000-gebied uitsluitend overwegingen van ecologische aard worden betrokken. Hierbij mag geen rekening worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Hrl. [13] De (bedrijfs)belangen van eiseres kunnen dus in beginsel geen rol spelen bij het toevoegen van habitattypen aan de Natura 2000-gebieden.
In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat wel een zekere beoordelingsmarge bestaat ten aanzien van het ambitieniveau van de instandhoudingsdoelstellingen, mits daarmee wordt voldaan aan de vereisten van artikel 6 van Pro de Hrl en het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding niet wordt bemoeilijkt.
5.12
De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat verweerder bij het vaststellen van de ambitieniveaus voor de habitattypen die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden onvoldoende rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van eiseres. Daarvoor heeft eiseres die belangen, en ook de gevolgen die het wijzigingsbesluit voor haar heeft of kan hebben, onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet concreet inzichtelijk gemaakt op welke manier het wijzigingsbesluit daadwerkelijk een (extra) belemmering voor haar bedrijfsvoering zal opleveren. Daar komt bij dat eiseres haar belangen (ook) in de zienswijzefase niet gemotiveerd naar voren heeft gebracht, zodat die voor verweerder bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit niet duidelijk kenbaar waren. In wat eiseres in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om te oordelen dat haar bedrijfsbelang onevenredig wordt geschaad door de ambitieniveaus voor de habitattypen die in het wijzigingsbesluit zijn toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
5.13
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in het wijzigingsbesluit terecht de betreffende habitattypen heeft toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. De bedrijfsbelangen van eiseres konden geen reden vormen om daarvan af te zien. De overige beroepsgronden van eiseres slagen ook niet. Voor het oordeel dat de voorbereiding van het wijzigingsbesluit onzorgvuldig of onjuist is geweest, ziet de rechtbank geen aanleiding. Dat de toe te voegen habitattypen via SDF-en wellicht al vóór de publicatie van het ontwerp van het wijzigingsbesluit in een databank van de Europese Commissie zijn geregistreerd, is geen reden om te oordelen dat het wijzigingsbesluit niet in stand kan blijven. [14] Verder heeft eiseres de mogelijkheid gehad om mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbesluit en van strijd met het Verdrag van Aarhus, zoals eiseres heeft gesteld, is de rechtbank niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

6.1
Het beroep is gegrond. In de eerder genoemde uitspraken van 17 december 2025 is het wijzigingsbesluit al vernietigd voor zover daarin het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer en voor zover daarin het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer. Die delen van het wijzigingsbesluit kunnen niet nogmaals worden vernietigd. Wel zal de rechtbank ook in deze uitspraak bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het wijzigingsbesluit in stand blijven, omdat verweerder met de ook in deze zaak overgelegde nadere uitleg voldoende heeft gemotiveerd dat die habitattypen op de peildata in meer dan verwaarloosbare mate en duurzaam aanwezig waren in die Natura 2000-gebieden. In de praktijk betekent dit dat blijft gelden dat het habitattype moerasspirea (H6430A) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe & Brandemeer en dat het habitattype harig wilgenroosje (H6430B) is toegevoegd aan het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Zwarte Meer.
Verder blijkt uit het voorgaande dat het wijzigingsbesluit voor het overige in stand blijft.
6.2
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. Niet is gebleken dat eiseres voor de behandeling van haar beroep proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het eerder al bij de in overweging 5.7 genoemde uitspraken van 17 december 2025 vernietigde deel van het wijzigingsbesluit ook met deze uitspraak in stand blijven;
  • gelast verweerder het griffierecht van € 365,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: juridisch kader

Habitatrichtlijn
Artikel 2
1. Deze richtlijn heeft tot doel bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
2. De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier- en plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.
3. In de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen wordt rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied, en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Artikel 3
1. Er wordt een coherent Europees ecologisch netwerk gevormd van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd. Dit netwerk, dat bestaat uit gebieden met in bijlage I genoemde typen natuurlijke habitats en habitats van in bijlage II genoemde soorten, moet de betrokken typen natuurlijke habitats en habitats van soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding behouden of in voorkomend geval herstellen. Het Natura 2000-netwerk bestrijkt ook de door de Lid-Staten overeenkomstig Richtlijn 79/409/EEG aangewezen speciale beschermingszones.
2. Elke Lid-Staat draagt bij tot de totstandkoming van Natura 2000 al naar gelang van de aanwezigheid op zijn grondgebied van de typen natuurlijke habitats en habitats van soorten als bedoeld in lid 1. Hij wijst daartoe, overeenkomstig artikel 4 en Pro met inachtneming van de doelstellingen van lid 1, gebieden als speciale beschermingszones aan.
3. Waar zij zulks nodig achten, streven de Lid-Staten naar bevordering van de ecologische coherentie van Natura 2000 door het handhaven en in voorkomend geval ontwikkelen van de in artikel 10 genoemde Pro landschapselementen die van primair belang zijn voor de wilde flora en fauna.
Artikel 4
1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lid-Staat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurljike verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lid-Staten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde Pro toezicht.
De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld Pro formulier.
2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lid-Staat voor elk van de vijf in artikel 1, letter c) onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lid-Staten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen.
De Lid-Staten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast.
De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21.
3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld.
4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lid-Staat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging.
5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4.
Wet natuurbescherming
Artikel 2.1
1. Onze Minister wijst gebieden aan als speciale beschermingszones ter uitvoering van
de artikelen 3, tweede lid, onderdeel a, en 4, eerste en tweede lid, van de Vogelrichtlijn en de artikelen 3, tweede lid, en 4, vierde lid, van de Habitatrichtlijn. De speciale beschermingszones worden aangeduid als «Natura 2000-gebied».
2. Ingeval een gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door één van Onze andere
Ministers, neemt Onze Minister een besluit als bedoeld in het eerste lid in overeenstemming met die andere Minister.
3. Bij een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt als bijlage een kaart opgenomen waarop de begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.
4. Een besluit als bedoeld in het eerste lid bevat instandhoudingsdoelstellingen voor het gebied. Daartoe behoren in elk geval de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van:
a. de leefgebieden voor vogelsoorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn, of
b. de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.
5. Op de voorbereiding van een besluit tot aanwijzing als bedoeld in het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
6. Onze Minister draagt, mede in het licht van de toepassing van artikel 1.8, eerste lid, en gevolg gevend aan het inzicht, bedoeld in artikel 1.5, vijfde lid, zorg voor de actualisatie van de besluiten, bedoeld in het eerste lid.
7. Onze Minister kan een besluit als bedoeld in het eerste lid wijzigen of geheel of gedeeltelijk intrekken. Op de voorbereiding van een besluit als bedoeld in de eerste volzin is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, behalve in geval van wijzigingen van ondergeschikte aard. Bij een besluit tot gedeeltelijke intrekking of wijziging kan als bijlage een kaart worden opgenomen waarop de gewijzigde begrenzing van het desbetreffende gebied nauwkeurig is aangegeven.

Voetnoten

1.Deze uitspraken zijn te vinden op rechtspraak.nl, onder de nummers ECLI:NL:RBOVE:2023:5137, ECLI:NL:RBOVE:2023:5138, ECLI:NL:RBOVE:2023:5140 tot en met ECLI:NL:RBOVE:2023:5143 en ECLI:NL:RBOVE:2024:456.
2.Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna.
3.De rechtbank leidt uit artikel 1 van Pro de Wet voorzieningen in verband met ambten van minister zonder portefeuille en van staatssecretaris af dat aan de minister voor Natuur en Stikstof - als minister zonder portefeuille - dezelfde bevoegdheden toekomen als aan de minister van LNV.
4.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5009.
5.1 hectare (ha) = 10.000 m².
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, rechtsoverweging (r.o.) 5.8, en 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:864, r.o. 5.2.
8.Zaaknummer ZWO 23/157 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7388).
9.Zaaknummers ZWO 23/157 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7388), ZWO 23/158 (niet gepubliceerd), ZWO 23/162 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7377), ZWO 23/163 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7379) en ZWO 23/165 (ECLI:NL:RBOVE:2025:7385).
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2895, r.o. 6.4, en 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 15.2.
11.Arrest in zaak C-66/23, ECLI:EU:C:2024:733, zie met name de overwegingen 48 tot en met 50.
12.Zie de uitspraken van de Afdeling van 13 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR1453, r.o. 2.6.2, en van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 16 tot en met 16.4.
13.Zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 7 november 2000, ECLI:EU:C:2000:600, r.o. 25, en de uitspraken van de Afdeling van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2297, r.o. 5.9, en 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017,2895, r.o. 4.3.
14.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1047, r.o. 12.1, over de status en functie van SDF-en.