ECLI:NL:RBOVE:2026:853

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_2275
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PWArt. 18a PWArt. 2 Boetebesluit socialezekerheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde bijschrijvingen en boete

Eiser ontving vanaf 2016 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een onderzoek naar niet gemelde inkomsten via bankrekeningen. De sociale recherche voerde uitgebreid onderzoek uit, inclusief verhoren van eiser. Het college herzag de bijstandsuitkering over meerdere periodes en vorderde te veel ontvangen bedragen terug, tevens legde het een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht.

Eiser voerde aan dat de bijschrijvingen incidentele privéverkopen betroffen en dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege het ontbreken van een tolk en cautie tijdens verhoren. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van een buitenlandse bankrekening en bijschrijvingen door derden. De processen-verbaal werden als betrouwbaar beschouwd ondanks taalbarrières.

De rechtbank verwierp het bewijsaanbod van eiser betreffende WhatsApp-berichten wegens te late indiening. De herziening en terugvordering werden als terecht beoordeeld, evenals de opgelegde boete, die passend werd geacht gezien de verwijtbaarheid en draagkracht van eiser. Wel werd vastgesteld dat het terugvorderingsbedrag onjuist was gebruteerd, waarop de rechtbank het bedrag corrigeerde en het beroep gegrond verklaarde.

De rechtbank veroordeelde het college tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De uitspraak kan worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het terugvorderingsbedrag gecorrigeerd en het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2275

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H.A. van der Kleij,
en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 13 februari 2025, verzonden op 25 februari 2025, heeft het college eisers bijstandsuitkering herzien over de periodes van 1 september 2023 tot en met 31 oktober 2023, van 1 maart 2024 tot en met 31 maart 2024 en van 1 juni 2024 tot en met 30 juni 2024. Daarbij heeft het college hetgeen over deze periodes te veel aan bijstandsuitkering is betaald van eiser teruggevorderd tot een bedrag van € 2.728,11 bruto. Bij besluit van
14 maart 2025 heeft het college eiser een boete opgelegd van € 807,24 wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting.
1.2
Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar aangetekend. Met het bestreden besluit van
10 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij deze besluiten gebleven.
1.3
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
Tevens is verschenen de tolk D. Elhaddouchi.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser heeft vanaf 15 april 2016 een bijstandsuitkering ontvangen. Naar aanleiding van een op 21 augustus 2019 ontvangen anonieme tip, inhoudende dat eiser werkzaamheden zou verrichten en niet op het uitkeringsadres zou wonen, heeft het college de sociale recherche IJssel-Vechtstreek op 28 maart 2023 verzocht een onderzoek in te stellen. De sociale recherche heeft onder meer dossieronderzoek verricht, geautomatiseerde systemen en registers geraadpleegd, onderzoek op internet en sociale media verricht, informatie ingewonnen bij onder andere de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD), Midhold B.V. en telecombedrijven. Daarnaast is een getuige gehoord en is belanghebbende verhoord op 11 september 2024 en 20 januari 2025. Op 10 februari 2025 is gerapporteerd door de sociale recherche.

Standpunten van partijen

Standpunt van het college
3. Het college stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door het college geen mededeling te doen van de ontvangst van geld van derden op zijn bankrekeningen. Eiser heeft niet aangetoond dat de bijschrijvingen zien op opbrengsten van incidentele verkoop van privé-goederen, zoals hij heeft gesteld. De screenshots van WhatsApp-berichten zijn volgens het college onvoldoende. De bijschrijvingen moeten daarom worden aangemerkt als middelen in de zin van de PW. Als gevolg hiervan heeft eiser over de periodes in geding te veel bijstand ontvangen. Het college heeft daarom eisers bijstandsuitkering herzien en de te veel ontvangen bijstand van eiser teruggevorderd. Omdat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden, heeft het college eiser een boete opgelegd. Bij de vaststelling van de hoogte van de boete is rekening gehouden met een gemiddelde verwijtbaarheid en met eisers draagkracht.
Standpunt van eiser
4. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft zijn inlichtingenplicht niet geschonden. Zijn bijstandsuitkering is ten onrechte herzien en de boete is ten onrechte opgelegd.
4.1
Eiser stelt dat het voorbereidende onderzoek van de sociale recherche onredelijk lang heeft geduurd. Het handhavingsonderzoek duurde een jaar en vijfenveertig weken, namelijk van 28 maart 2023 tot 10 februari 2025. Bij het handhavingsonderzoek is de zorgvuldigheid geschonden.
4.2
Eiser heeft bij de verhoren verzocht om een tolk, maar de sociale recherche heeft besloten geen tolk in te schakelen. Hierdoor klopt de weergave in de processen-verbaal niet steeds. Eiser heeft ook verklaard dat hij niet alles begreep en heeft de verklaringen niet ondertekend. In beide verhoren heeft de sociale recherche geen cautie gegeven. Ook is eiser bij beide verhoren niet gewezen op het recht om zich tijdens de verhoren te laten bijstaan door een raadsman. Dit is in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM. Een bestuurlijke boete is een 'criminal charge' en eiser had daarom gewezen moeten worden op dit recht. Eiser heeft hierbij gewezen op rechtspraak van de Hoge Raad (HR) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1]
4.3
Uit eisers bankafschriften is gebleken van acht bijschrijvingen. Eiser heeft toegelicht dat dit bijschrijvingen zijn in verband met de incidentele verkoop van privé-goederen. Eiser heeft WhatsApp-chats en -screenshots in het geding gebracht. Eiser heeft spullen verkocht vanwege financiële krapte. Ter vervanging heeft hij spullen gratis opgehaald bij de weggeefhoek. De opbrengsten van incidenteel verkochte privé-goederen behoren volgens vaste rechtspraak niet tot verworven middelen die van invloed zijn op het recht op bijstand. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat hij de inlichtingenplicht niet heeft geschonden.
4.4
Ten slotte stelt eiser dat de brutering van het terugvorderingsbedrag onjuist is. Indien terecht bijstand van eiser is teruggevorderd, hetgeen eiser bestrijdt, had het terugvorderingsbedrag na brutering vastgesteld moeten worden op € 2.283,72.
Reactie van het college op het aangevoerde
5. Het college ziet in het aangevoerde geen aanleiding terug te komen van de herziening, terugvordering en boete. Wel heeft het college meegedeeld dat uit nader onderzoek is gebleken dat de brutering van de vordering onjuist is.
5.1
Het college heeft erop gewezen dat eiser voorafgaande aan het eerste gehoor expliciet is gevraagd of hij de Nederlandse taal beheerst. Eiser heeft hierop verklaard dat hij de Nederlandse taal redelijk beheerst en dat het oké is. Er bestond op basis van deze verklaring geen aanleiding een tolk in te zetten. Het college heeft een verklaring overgelegd van de sociaal rechercheur
.Eiser heeft niet onderbouwd op welke punten de weergave in de processen-verbaal volgens hem inhoudelijk niet kloppen. Dat eiser de processen-verbaal niet heeft ondertekend en heeft aangegeven dat hij het niet volledig heeft begrepen, is onvoldoende om afbreuk te doen aan de bewijskracht van de processen-verbaal. Het had op eisers weg gelegen om aan te geven dat hij zaken niet goed begreep.
5.2
In de verhoren zijn geen vragen gesteld met het oog op het opleggen van een bestuurlijke boete. Op dat moment was het overwegen van een bestuurlijke boete niet aan de orde, omdat het onderzoek zich richtte op de vraag of de uitkering rechtmatig was verstrekt. Daarom is terecht besloten geen cautie te geven. Bij de start van het boete-onderzoek is met de brief van 28 februari 2025 de cautie gegeven.
5.3
Het college is alsnog van mening dat de vordering moet worden vastgesteld op een bedrag van € 2.283,89 bruto.

Wettelijk kader

6. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of het college terecht eisers bijstandsuitkering heeft herzien, de te veel betaalde bijstand van hem heeft teruggevorderd en een boete heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De herziening en terugvordering
7.1
Een besluit tot herziening en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting is een voor eiser belastend besluit, waarbij het aan het college is om de kennis over de relevante feiten te vergaren die nodig is om die schending vast te stellen. Dat betekent dat de bewijslast in zoverre op het college rust.
Het verhoor
7.2
Eiser is op 11 september 2024 en op 20 januari 2025 verhoord door de sociale recherche. De antwoorden van eiser in de processen-verbaal komen de rechtbank voor als de daadwerkelijke antwoorden van eiser, aangezien eiser aangeeft de Nederlandse taal niet volledig te beheersen en bij een deel van de antwoorden sprake is van grammaticaal niet geheel juiste zinnen. Eiser heeft de processen-verbaal weliswaar niet ondertekend, maar de rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat wat daarin is vermeld iets anders is dan wat eiser heeft verklaard. Eiser heeft ook niet aangevoerd op welke punten de processen-verbaal onjuist moeten worden geacht. Uit de processen-verbaal blijkt niet dat eiser heeft gevraagd om bijstand door een tolk. Eiser heeft bij aanvang van het eerste verhoor naar aanleiding van de vraag of hij de Nederlandse taal beheerst verklaard: 'Ja ik begrijp het redelijk, het is ok.' Uit de wijze waarop eisers antwoorden zijn vermeld in de processen-verbaal leidt de rechtbank af dat eiser de Nederlandse taal niet volledig beheerst, maar wel op een dusdanig niveau dat hij de vragen van de sociale recherche heeft kunnen begrijpen en heeft kunnen beantwoorden. In dit verband acht de rechtbank ook de in beroep toegezonden verklaring van 19 november 2025 van sociaal rechercheur [naam 1] van belang. Zij heeft hierin, kort samengevat, verklaard dat geen tolk is ingeschakeld omdat de sociaal rechercheurs niet de indruk hebben gekregen dat eiser de Nederlandse taal niet begreep.
7.3
De beroepsgrond dat ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt evenmin. Bij het afleggen van een verklaring in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop is gericht het recht op bijstand nader vast te stellen, is het niet vereist om de cautie te verlenen. [2] Dit geldt ook ten aanzien van hetgeen is aangevoerd met betrekking tot het recht zich te laten bijstaan door een advocaat.
De inlichtingenverplichting
7.4
De onderzoeksbevindingen, zoals die blijken uit het rapport van de sociale recherche van 10 februari 2025, bieden voldoende grondslag voor de conclusie van het college dat eiser in de periodes in geding bijschrijvingen van derden heeft ontvangen op zijn bankrekeningen. Uit het rapport blijkt het volgende.
7.4.1
Uit bankafschriften van eiser is de sociale recherche gebleken van overschrijvingen naar een bankrekening bij Revolut op naam van [eiser], eindigend op nummer [rekeningnummer 1]. Eiser heeft in het verhoor op 11 september 2024 verklaard dat hij in Engeland een bankrekening heeft bij Revolut. Hij heeft bankgegevens aangeleverd van zijn rekening bij Revolut met het nummer eindigend op [rekeningnummer 1]. Hieruit blijkt dat de rekening is geopend op 13 januari 2023. Op deze rekening is sprake van de volgende bijschrijvingen door derden:
- 15 september 2023 Betaling van [naam 2] € 50,-
- 11 oktober 2023 Betaling van [naam 2] € 50,-
- 17 juni 2024 [naam 3] € 500,-
- 18 juni 2024 [naam 3] € 350,0
- 23 juni 2024 Betaling van [naam 4] € 150,-
- 26 juni 2024 Betaling van [naam 4] € 400,-
7.4.2
Eiser heeft bankafschriften aangeleverd van zijn rekening bij de ING met het nummer eindigend op [rekeningnummer 2]. Deze rekening was al bekend bij het college. Op deze rekening is sprake van de volgende bijschrijvingen door een derde:
- 16 maart 2024 Tikkie Meubels verkopen aan [bedrijf] € 200,-
- 16 maart 2024 Tikkie Meubels verkopen aan [bedrijf] € 200,-
7.5
Eiser heeft het college geen mededeling gedaan van zijn bankrekening bij Revolut en van de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekeningen. Alleen al gelet hierop, moet worden vastgesteld dat eiser zijn inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Van een bankrekening en bijschrijvingen door derden op een bankrekening moet mededeling worden gedaan aan het college. Het gaat hier volgens vaste rechtspraak om gegevens waarvan het eiser redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Of eiser ook echt wist dat hij de bijschrijvingen moest melden en of hem kan worden verweten dat hij daarvan geen melding heeft gemaakt, is voor de schending van de inlichtingenverplichting niet van belang. De inlichtingenverplichting is namelijk objectief geformuleerd. [3]
7.6
Bedragen die contant zijn gestort en bedragen die zijn overgemaakt door derden naar een bankrekening van een bijstandontvanger worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben is het inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW als zij door de betrokkene kunnen worden gebruikt voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Dit is vaste rechtspraak. [4]
7.7
Eiser heeft geen toereikende verklaring gegeven over de herkomst van de bijschrijvingen. Eiser stelt dat deze afkomstig zijn uit de verkoop van zijn meubels, dus privé-goederen. Het is aan eiser om dit met bewijsstukken aannemelijk te maken. Hierin is hij niet geslaagd. Hij heeft zijn stelling niet met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd. Uit de bijschrijvingen blijkt niet waarop deze betrekking hebben. Eiser heeft WhatsApp-stukken overgelegd. Volgens eiser gaat het om screenshots, maar vastgesteld moet worden dat eiser daarin zelf gegevens heeft toegevoegd/gewijzigd. Uit de WhatsApp stukken kan niet worden afgeleid dat de gesprekken kort voor een betaling hebben plaatsgevonden. Daardoor zijn de gesprekken niet te koppelen aan de betalingen. Ook zijn uit de WhatsApp stukken geen namen te halen die zijn te koppelen aan de betalingen. Ter zitting heeft eiser een nader bewijsaanbod gedaan door stukken aan te leveren waaruit de onderliggende data van de screenshots blijken. De rechtbank ziet geen aanleiding dit bewijsaanbod te honoreren, nu eiser in beroep, voorafgaand aan de zitting, voldoende gelegenheid heeft gehad om deze stukken in het geding te brengen. Het standpunt van het college ten aanzien van de WhatsApp-stukken was immers al langer bekend. Eiser had eerder zijn bewijsaanbod kunnen doen.
7.8
Het college heeft de bijstandsuitkering herzien met de bedragen van de bijschrijvingen in de maanden waarin deze zijn bijgeschreven op de bankrekeningen van eiser.
De rechtbank acht dit niet onjuist. Het gaat om een bedrag van € 50,- in de maand september 2023, een bedrag van € 50,- in de maand oktober 2023, een bedrag van € 400,- in de maand maart 2024 en een bedrag van € 1.400,- in de maand juni 2024.
Dringende redenen
7.9
Het college is verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de PW. Maar indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de PW.
7.1
Het college is bevoegd om onderzoek te doen naar de juistheid en volledigheid van verstrekte gegevens en naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening of de voortzetting van bijstand. Dat volgt uit artikel 53a van de PW. Deze algemene onderzoeksbevoegdheid kan uit eigen beweging worden uitgeoefend, dus ook zonder voorafgaand signaal of vermoeden. Dit is vaste rechtspraak. [5]
7.11
Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. [6] Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. Uit de uitspraken van 10 december 2024 volgt dat het aan eiser is om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat
– volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. Het is vervolgens aan de bijstandverlenende instantie om, zo nodig, daarnaar nader onderzoek te doen.
7.12
Het college heeft wat eiser heeft aangevoerd bij afweging van de betrokken belangen niet als dringende redenen hoeven aan te merken om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In dat verband is allereerst van betekenis dat de terugvordering niet is ontstaan door toedoen van het college, maar door de schending van de inlichtingenverplichting door eiser. Dat het onderzoek lang heeft geduurd, doet hier niet aan af. Dat het onderzoek en de besluitvorming door het college nodeloos lang heeft geduurd, is niet gebleken. Eiser is pas bekend geraakt met het onderzoek toen hij verhoord werd. Dit was in september 2024. Het besluit is genomen op 13 februari 2025 en verzonden op
25 februari 2025, zodat eiser - anders dan hij zelf heeft aangegeven - niet heel lang in spanning heeft hoeven zitten.
Ten slotte heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt wat voor hem de gevolgen van de terugvordering zijn. Van belang is daarbij dat hij bij de invordering als schuldenaar de bescherming geniet van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen van het terugvorderingsbesluit voor hem onevenredig zijn in verhouding tot het met de terugvordering te dienen doel, namelijk dat het college terugkrijgt wat eiser ten onrechte aan bijstand heeft ontvangen.
De brutering
7.13
Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij zich kan vinden in de berekening van het college bij het verweerschrift. Partijen hebben de rechtbank verzocht ten aanzien van het bedrag van de terugvordering na brutering zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank ziet aanleiding hieraan gevolg te geven op de wijze, zoals hierna vermeld onder 9. Hetgeen is aangevoerd ten aanzien van de brutering zal de rechtbank daarom niet meer bespreken.
De boete
7.14
Uit 7.4 tot en met 7.8 volgt dat het college heeft aangetoond dat eiser de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn bankrekening bij Revolut en de bijschrijvingen door derden op zijn bankrekening. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Het college was daarom in beginsel verplicht een boete op te leggen. Bij het opleggen van de boete heeft het college rekening gehouden met een normale verwijtbaarheid. Ook heeft het college rekening gehouden met eisers draagkracht.
7.15
De mate van verwijtbaarheid van eiser, de omstandigheden waaronder hij de overtreding heeft begaan en zijn persoonlijke omstandigheden geven geen aanleiding om de boete op een ander bedrag dan € 807,24 vast te stellen. Deze boete is hier passend en geboden.

Conclusie en gevolgen

8. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht eisers bijstandsuitkering heeft herzien, de te veel betaalde bijstand van hem heeft teruggevorderd en eiser een boete heeft opgelegd.
9. Gelet op 7.13 zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen voor zover dit ziet op het terugvorderingsbedrag, en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorzien in de zaak door het terugvorderingsbedrag vast te stellen op € 2.283,89 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
10. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om deze reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.332,- voor de proceskosten in bezwaar, omdat de gemachtigde een bezwaarschrift heeft ingediend en aan de hoorzitting heeft deelgenomen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- voor de proceskosten in beroep, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.200,-.Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 10 juli 2025 voor zover dit ziet op het terugvorderingsbedrag;
- stelt het terugvorderingsbedrag vast op € 2.283,89 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hoekstra, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage

Wettelijk kader

Artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, van de Participatiewet
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand of trekt dat in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58 van Pro de Participatiewet, voor zover van belang
1. Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de PW.
8. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
Artikel 18a van de Participatiewet, voor zover van belang
1. Het college legt een bestuurlijke boete op van ten hoogste het benadelingsbedrag wegens het niet of niet behoorlijk nakomen door de belanghebbende van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Indien de feiten en omstandigheden, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, en artikel 30c, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn medegedeeld of de gegevens en bewijsstukken, bedoeld in artikel 30c, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen niet of niet behoorlijk zijn verstrekt en deze overtredingen niet opzettelijk zijn begaan, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste het bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
2. In dit artikel wordt onder benadelingsbedrag verstaan het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in de artikelen 17, eerste lid, of 36b, vierde lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand of studietoeslag als bedoeld in artikel 36b is ontvangen.
7. Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
10. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de hoogte van de bestuurlijke boete.
Artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, voor zover van belang
1. Indien als gevolg van overtreding van de inlichtingenverplichting sprake is van een benadelingsbedrag, worden bij de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete de uitgangspunten in het tweede tot en met het tiende lid in acht genomen.
4. Indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 50 procent van het benadelingsbedrag.
5. Indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenverplichting, wordt de bestuurlijke boete vastgesteld op 25 procent van het benadelingsbedrag.
10. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven voor verlaging van de bestuurlijke boete rust op betrokkene. Indien het bestuursorgaan op de hoogte is van bijzondere omstandigheden, wordt bij het opleggen van de bestuurlijke boete daarmee rekening gehouden.
Artikel 2a, eerste lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, voor zover van belang
1. Bij de bepaling van de hoogte van de bestuurlijke boete wordt de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten beoordeeld naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeerde op het moment dat hij de inlichtingenverplichting had moeten nakomen.
2. Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de betrokkene kan worden verweten, leiden in ieder geval de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid:
a. de betrokkene verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt;
b. de betrokkene verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem de overtreding niet volledig valt aan te rekenen;
c. de betrokkene heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting;
d. de overtreding van de inlichtingenverplichting of de hoogte van het benadelingsbedrag is mede te wijten aan het bestuursorgaan dat bevoegd is de bestuurlijke boete op te leggen, of
e. er is sprake van een samenloop van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot verminderde verwijtbaarheid.

Voetnoten

1.Zie het arrest van de HR van 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135 en de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5293.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:868.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 21 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1567.
4.Zie bijvoorbeeld de hiervoor genoemde uitspraak van de CRvB van 21 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1567.
5.Zie bijvoorbeeld de eerder genoemde uitspraak van 27 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:868.