Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 maart 2016 in de zaak tussen
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
.In die overeenkomst hebben [bedrijf 1] en [bedrijf 2] de algemene voorwaarden opgenomen die van toepassing zullen zijn op iedere opdracht van [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] die door partijen wordt bevestigd met een zogenoemde ‘order note’. De order note bevat een vaste aanneemsom. De overeenkomst tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] kon zo summier blijven omdat de tussen hen gesloten algemene aannemingsovereenkomst van 16 januari 2012 al de algemene voorwaarden regelde. Bovendien werden bij deze ‘order note’ zeer uitgebreide technische tekeningen, afkortlijsten en laslijsten door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] verstrekt. De inspectie heeft destijds alleen de ordernotes aangeduid als overeenkomsten. Dat is onzorgvuldig en onjuist. Onbetwist is namelijk gesteld dat [bedrijf 2] niet alleen werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] in [plaatsnaam 3] maar ook in Roemenië, dat [bedrijf 2] de kosten van vervoer van haar werknemers en de gebruikte materialen/gereedschap heeft betaald en dat [bedrijf 2] voor het door haar verrichte werk een aanneemsom in rekening heeft gebracht en geen vergoeding voor door werknemers van [bedrijf 2] gewerkte uren. Waarom deze feiten niet leiden tot de conclusie dat geen sprake is van ter beschikking stelling van arbeidskrachten, is door verweerder in het bestreden besluit niet onderbouwd.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de boete op € 792.000,- is vastgesteld;
- herroept het primaire besluit in zoverre dat de boete wordt vastgesteld op € 512.000,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 331,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,- te betalen aan eiseres.