Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2022 in de zaak tussen
[naam eiser], uit [plaatsnaam 1], eiser,
de burgemeester van Rotterdam (burgemeester),
[naam partij]uit [plaatsnaam 2] (derde-partij),
Rechtbank Rotterdam
De burgemeester van Rotterdam legde op 3 juni 2021 een last onder bestuursdwang op in de vorm van een zes maanden durende sluiting van de woning van eiser vanwege de aanwezigheid van een grote hoeveelheid harddrugs en aanverwante attributen. Eiser voerde in beroep aan dat de sluiting niet noodzakelijk noch evenredig was, onder meer omdat de woning slechts eenmalig als bewaarlocatie was gebruikt en hij geen verwijt kon worden gemaakt.
De rechtbank overwoog dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne en de aanwezigheid van een vuurwapen, geldtelmachine en grote som contant geld wijzen op handel binnen de woning. Dit rechtvaardigt de sluiting als noodzakelijke maatregel ter bescherming van de openbare orde en het woon- en leefklimaat. De stelling dat er geen herhalingsgevaar zou zijn, werd verworpen omdat de sluiting ook een signaalfunctie heeft richting drugscriminelen en de buurt.
Ten aanzien van verwijtbaarheid oordeelde de rechtbank dat eiser als hoofdhuurder verantwoordelijk is voor wat zich in de woning afspeelt, mede omdat hij een kennis een sleutel had gegeven en aanwezig was bij de doorzoeking. De wisselende verklaringen van eiser over zichtbaarheid van de goederen werden als ongeloofwaardig beoordeeld.
De rechtbank nam ook de gevolgen van de sluiting mee, maar vond dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat hij vanwege psychische problemen aan deze woning gebonden was. De burgemeester had voldoende zorgvuldigheid betracht. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het besluit tot sluiting bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de sluiting van de woning op grond van artikel 13b Opiumwet is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.