Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2023 in de zaken tussen
[eiseres 1] , gevestigd te [plaats 1] , eiseres 1
De Nederlandsche Bank N.V., verweerster (DNB)
Inleiding
Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigden van eiseressen, vergezeld door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigden van DNB, vergezeld door [naam 4] , [naam 5] en [naam 6] , allen werkzaam bij DNB.
Feiten en totstandkoming van het besluit
Bij e-mailbericht van 8 april 2019 heeft DNB bij eiseres een onderzoek aangekondigd.
Het onderzoek heeft ter plaatse op 25 april 2019 plaatsgevonden aan de hand van vooraf door eiseres gestuurde stukken, gesprekken en onderzoek van het DVD van [A.] .
Bij brief van 14 januari 2021 heeft eiseres 1 haar zienswijze aan DNB kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft DNB het boetebesluit en het publicatiebesluit 1 genomen.
Vervolgens zijn het bestreden besluit en het publicatiebesluit 2 genomen.
Beoordeling door de rechtbank
6 september 2018 verband kon houden met witwassen of terrorismefinanciering op grond van de subjectieve indicator. Eiseres 1 heeft uitgebreid gemotiveerd waarom zij van opvatting is dat de transactie is te verklaren en begrijpelijk is en daarom terecht niet onverwijld als ongebruikelijk bij de FIU is gemeld.
- twee ultimate beneficial owners (UBO’s) van [A.] politiek prominente personen (PEP’s) zijn;
- het product waarop de consultancydiensten zien de handel in olie betreft;
- de betrokken landen Rusland en Kazachstan zijn (landen met een hoog niveau van corruptie en andere criminele activiteiten);
- de facturen op kosten in verband met consultancydiensten zien (in het algemeen lastig te verifiëren of tegenover de in rekening gebrachte kosten reële tegenprestaties hebben gestaan) en
- deze diensten worden verricht door een in Panama (land met verhoogd risico op witwassen en financiering van terrorisme) gevestigde partij, te weten [E.] .
- maandelijks wordt een fixed fee van USD 200.000,- in rekening gebracht door [E.] aan [D.] ;
- daarvoor zal iedere maand een factuur worden verstuurd;
- een bonus (in de vorm van aanvullende fees) zou kunnen worden betaald in geval van exceptionele resultaten, maar dit moet separaat worden overeengekomen en gedocumenteerd en
- de door [E.] te verzenden facturen bevatten een specificatie en beschrijving van de in die maand verrichte activiteiten.
Uit het dossier blijkt dat eiseres 1 bij de acceptatie van [A.] niet heeft stil gezeten door, onder meer (destijds onverplicht) een transactieprofiel op te stellen van [A.] en haar als hoog risico te bestempelen. Daarnaast heeft eiseres 1 eerder een melding in het dossier gedaan. Ook blijkt dat eiseres 1 voorafgaand onderzoek heeft gedaan naar de transactie van 6 september 2018. Desondanks moet geconcludeerd worden dat zij ten tijde van die transactie over onvoldoende informatie beschikte om te kunnen oordelen dat op dat moment geen sprake was van een ongebruikelijke transactie. Op meerdere punten was geen verklaring beschikbaar, zoals het niet opnemen van deze transactie als een te verwachten transactie in het transactieprofiel, de gelet op het minderheidsbelang onbegrijpelijke bijdrage van [A.] in twee derde van de consultancy kosten, de niet door [A.] ondertekende side agreement, de consultancy agreement tussen [D.] en [E.] over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 die eerst op 20 juni 2016 is opgemaakt en het feit dat de consultancy agreement niet zag op de verrekening over het jaar 2015. De antwoorden op de vragen die zij op 5 september 2018 per mail aan [A.] heeft gesteld, hebben dat ook niet (volledig) opgehelderd.
Dat eiseres 1 wel bekend was met de informatie van de consultancy agreement uit 2014 tussen [E.] en [F.] , omdat [medewerker 1] en [medewerker 2] uit hoofde van hun vorige functie bij UIM kennis hiervan zouden hebben, kunnen de gestelde onduidelijkheden evenmin voldoende verklaren. Eiseres 1 heeft haar stellingen op dit punt ook niet onderbouwd.
Ook de omstandigheid dat eiseres 1 later opnieuw onderzoek is gaan doen en stelt alsnog opheldering te hebben verkregen van [C.] en achteraf voor genoemde discrepanties mogelijk een verklaring kan geven, laat de overtreding onverlet. Het gaat om informatie die (ver) na de transactie (en overtredingsperiode) is verkregen.
De rechtbank wijst op het belang van het onverwijld melding doen aan de FIU van een ongebruikelijke transactie. Een dergelijke melding stelt de FIU in staat direct nader onderzoek naar de transactie te verrichten en te beoordelen of deze verdacht is. Indien daarvan sprake is, kan zij dit zo spoedig mogelijk doorgeven aan de relevante instanties. Door een ongebruikelijke transactie niet binnen 14 dagen te melden wordt de FIU belemmerd in haar onderzoek.
Gelet op het voorgaande had eiseres 1 de transactie van 6 september 2018 als een ongebruikelijke transactie dienen aan te merken en was zij op grond van artikel 16, eerste lid, van de Wwft gehouden die transactie onverwijld, nadat het ongebruikelijke karakter van de transactie haar bekend was geworden, aan de FIU te melden. DNB heeft buiten redelijke twijfel aangetoond dat eiseres 1 de haar verweten overtreding heeft begaan en dus niet heeft voldaan aan de op grond van de toepasselijk wet- en regelgeving op haar rustende meldplicht. In wat eiseres 1 verder nog heeft aangevoerd ziet zij geen aanleiding daar anders over te oordelen.
De stelling van eiseres 1 dat het onderzoek van DNB al vanaf het begin was gericht op de transactie van 6 september 2018 volgt de rechtbank niet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.
Voor zover eiseres 1 betoogt dat sprake is van vooringenomenheid, heeft zij deze stelling onvoldoende onderbouwd. Voor een schending van het verbod op vooringenomenheid is vereist, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis bij artikel 2:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen oneigenlijk behartigt door zich door bepaalde belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden, waardoor niet de nodige objectiviteit wordt betracht. Om vooringenomenheid aan te nemen moet sprake zijn van objectieve aanknopingspunten voor een dergelijke beïnvloeding. De enkele stelling dat DNB voorbij gaat aan de door eiseres 1 aangedragen argumenten om het standpunt van DNB te ontkrachten is daartoe onvoldoende.
In het kader van haar onderzoek heeft DNB op 25 april 2019 een bezoek gebracht aan het kantoor van eiseres 1 en DNB heeft in dat verband de beschikking gekregen over het DVD van [A.] . DNB heeft daarover - onder meer op 3 september 2019 - een aantal vragen gesteld. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om aan de toelichting van DNB te twijfelen. Dat het informatieverzoek van 3 september 2019 aanvankelijk niet als formele informatievordering was vormgegeven, maakt het onderzoek niet onzorgvuldig.
Bij e-mail van 10 september 2019 heeft DNB meegedeeld dat zij op grond van artikel 43, eerste lid, van de Wtt 2018 bevoegd is inlichtingen te vorderen en eiseres op grond van artikel 5:20 van Pro de Awb verplicht is om hieraan te werken. Daarbij is meegedeeld dat een formele vordering zou worden aangekondigd als eiseres 1 niet aan het verzoek zou meewerken. Op telefonisch verzoek van eiseres 1 is het verzoek geformaliseerd in een informatievordering van 17 september 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de vordering is voldaan en dat van een schending van de medewerkingsplicht geen sprake is.
Van belang daarbij is dat eiseres 1 geen bezwaar heeft gemaakt tegen deze afspraak.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres 1 haar onderzoek naar de transactie van 6 september 2018 al had afgesloten, omdat zij tot de (onjuiste) conclusie kwam dat de transactie niet ongebruikelijk was. Pas naar aanleiding van het onderzoek van de DNB heeft zij haar onderzoek naar de transactie van 6 september 2018 heropend en aanleiding gezien de transactie van 6 september alsnog als een ongebruikelijke transactie bij de FIU te melden.
Dat zij de melding op 28 mei 2019 alsnog heeft gedaan, doet niet af aan de bevoegdheid van DNB de boete op te leggen. De melding was (circa 8 maanden) te laat, zodat FIU niet direct onderzoek heeft kunnen doen. Hierdoor is de opsporing ter bestrijding van witwassen of financiering van terrorisme mogelijk te laat op gang gekomen.
Dat DNB slechts willekeurig zou optreden tegen onder toezicht staande instellingen als zij geen melding doen, volgt de rechtbank niet. Zoals ook uit de rechtspraak blijkt treedt DNB wel degelijk op tegen instellingen als haar bekend is dat zij een ongebruikelijke transactie niet hebben gemeld, ook als dit de eerste keer is en ook als het slechts om één transactie gaat. Het tegendeel is door eiseres 1 niet aannemelijk gemaakt noch anderszins gebleken.
Dat dit de eerste overtreding is van eiseres 1, maakt evenmin dat DNB in beginsel van boeteoplegging had moeten afzien.
DNB gaat ervan uit dat sprake is van een ernstige overtreding, die eiseres 1 volledig is te verwijten. Daarom ziet DNB geen aanleiding het basisbedrag naar boven of beneden bij te stellen.
In de omvang van de onderneming (€ 5.546.993,-), stap 5 en omvangtabel II van bijlage 1 van het Algemeen boetetoemetingsbeleid DNB (het boetetoemetingsbeleid), heeft DNB een boetepercentage van 22,99% toegepast op het op basis van stappen 1 tot en met 4 vastgestelde boetebedrag en aanleiding gezien om het basisbedrag te matigen tot een bedrag van € 574.750,-.
DNB heeft het boetebedrag op grond van stap 6, onder c (passendheidstoets) van het boetetoemetingsbeleid verder gematigd tot € 100.000,-, omdat zij het boetebedrag onevenredig hoog vond. Daarbij heeft DNB de omvang van de transactie in aanmerking genomen en de omstandigheid dat sprake is van één niet onverwijlde gemelde transactie ten aanzien van één doelvennootschap.
Er is een onjuist criterium toegepast bij de vraag of gronden bestaan om openbaarmaking uit te stellen of te anonimiseren. DNB is volgens haar ten onrechte aangehaakt bij het publicatieregime van de Wft en rechtspraak van het CBb. Dit criterium verdraagt zich volgens eiseres 1 niet met artikel 60 van Pro de Richtlijn (EU) nr 2015/849/EC (de vierde anti-witwasrichtlijn), artikel 32f en artikel 32g van de Wwft. Eiseres 1 heeft gewezen op het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over de Wet transparant toezicht financiële markten (TK, 2016-2017, 34 769, nr. 4) inzake het wetsvoorstel Wet transparant toezicht financiële markten.
Uit de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2017/18, 34 808, nr. 3, p. 11) bij de wijziging van de Wwft en enkele andere wetten in verband met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn volgt dat met de publicatiebepalingen uit de Wwft aansluiting is gezocht bij de publicatiebevoegdheden uit de Wft. Verder blijkt uit de Memorie van Toelichting dat volgens de wetgever het belang bij openbaarmaking in beginsel opweegt tegen het belang van de overtreder dat de overtreding niet bekend wordt.
De vierde anti-witwasrichtlijn voorziet in minimumharmonisatie, waardoor het lidstaten vrij staat strengere maatregelen vast te stellen en verder te gaan dan waarin de richtlijn voorziet.
Dat thans het boetebesluit wat betreft de boetehoogte is vernietigd, maakt niet dat het besluit van DNB destijds om tot publicatie over te gaan, achteraf alsnog onrechtmatig is.
Het boetebesluit is immers in essentie in stand gebleven. De verplichting om het bestreden besluit te publiceren is niet komen te vervallen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023.
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
bijlage 2 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0044472/2022-04-16)opgenomen tabel.