Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.[gedaagde01] ,
1.De procedure
- de dagvaarding van 18 november 2022, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de brief van 7 maart 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de brief van [gedaagde01] en [gedaagde02] van 30 mei 2023, met één bijlage;
- de brief van Hot Bath van 30 mei 2023, met bijlagen;
- de brief van [gedaagde01] en [gedaagde02] van 6 juni 2023, met één bijlage;
- de spreekaantekeningen van Hot Bath.
2.De feiten
3.Het geschil
- Voor recht te verklaren dat [gedaagde01] onrechtmatig concurreert met Hot Bath;
- [gedaagde01] per direct te verbieden om tot twee jaar na het wijzen van het vonnis de onrechtmatige concurrentie voort te zetten, op straffe van een dwangsom van
- Voor recht te verklaren dat [gedaagde01] , in strijd met het overeengekomen nevenwerkzaamhedenbeding, tijdens zijn arbeidsovereenkomst met Hot Bath is begonnen met concurrerende nevenactiviteiten;
- [gedaagde01] te veroordelen aan Hot Bath te betalen een bedrag van € 55.675,64 bruto, met rente;
- Voor recht te verklaren dat [gedaagde02] onrechtmatig handelt tegenover Hot Bath;
- [gedaagde02] per direct te verbieden om tot twee jaar na het wijzen van het vonnis het
- [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door Hot Bath geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onrechtmatige concurrentie, op te maken bij schadestaatprocedure;
- [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten van
- [gedaagde01] en [gedaagde02] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten en nakosten, met rente;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.