ECLI:NL:RBROT:2025:14637
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet in een WHT-zaak over niet tijdig beslissen met betrekking tot bezwaar van opposante
In deze uitspraak van de Rechtbank Rotterdam op 10 december 2025 wordt het verzet van opposante tegen een eerdere uitspraak behandeld. Opposante had bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen door de Dienst Toeslagen. De rechtbank had eerder het beroep van opposante gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen 34 weken een besluit te nemen op het bezwaar, met een dwangsom van € 50 per dag voor elke dag dat deze termijn werd overschreden, tot een maximum van € 15.000. Opposante stelt dat de termijn niet redelijk is en dat de opgelegde dwangsom onvoldoende prikkel biedt voor verweerder om tijdig te beslissen. De rechtbank oordeelt dat de termijn en de hoogte van de dwangsom in overeenstemming zijn met eerdere uitspraken en dat het verzet ongegrond is. De rechtbank wijst erop dat er nog geen twee jaar zijn verstreken sinds opposante bezwaar heeft gemaakt, en dat een overschrijding van de termijn geen reden is om het verzet gegrond te verklaren. De rechtbank concludeert dat het verzet in feite een verkapt hoger beroep is, wat niet de bedoeling is van de verzetprocedure. De uitspraak blijft in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.