ECLI:NL:RBROT:2025:14637
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen dwangsom en beslistermijn in bestuursrechtelijke WHT-zaak ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om het verzet van opposante tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het beroep van opposante gegrond werd verklaard en de Dienst Toeslagen werd opgedragen binnen 34 weken alsnog een besluit te nemen op het bezwaar. Tevens werd een dwangsom van € 50 per dag met een maximum van € 15.000 opgelegd voor het niet tijdig beslissen.
Opposante betoogt dat de beslistermijn te lang is en de hoogte van de dwangsom onvoldoende prikkel vormt voor tijdige besluitvorming, verwijzend naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De rechtbank stelt dat het verzet feitelijk een verkapt hoger beroep is, waarvoor de verzetprocedure niet bedoeld is. De rechtbank motiveert dat de beslistermijn en dwangsomhoogte binnen de discretionaire bevoegdheid van de rechter vallen en in lijn zijn met eerdere uitspraken.
Daarnaast merkt de rechtbank op dat een beroep op artikel 6 lid 1 EVRM Pro niet tot gegrondverklaring leidt, mede omdat nog geen twee jaar zijn verstreken sinds het bezwaar werd ingediend. De rechtbank concludeert dat het verzet ongegrond is en dat de eerdere uitspraak in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet van opposante tegen de opgelegde dwangsom en beslistermijn wordt ongegrond verklaard.