ECLI:NL:RBROT:2025:13867
Rechtbank Rotterdam
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen uitspraak inzake nadere beslistermijn en dwangsom in WHT-zaak ongegrond verklaard
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft opposante verzet ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin een nadere beslistermijn van 20 weken en een dwangsom van €50 per dag met een maximum van €15.000 was vastgesteld voor de Dienst Toeslagen om alsnog te beslissen op bezwaar. Opposante stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro inmiddels was overschreden en dat de dwangsom onvoldoende prikkel zou bieden voor tijdige besluitvorming.
De rechtbank oordeelde dat het verzet zich uitsluitend richtte op de hoogte van de dwangsom en de termijn, welke discretionaire bevoegdheden van de rechter zijn. De rechtbank wees erop dat de dwangsomhoogte in lijn is met eerdere uitspraken en dat het verzet feitelijk een verkapt hoger beroep betrof, waarvoor de verzetprocedure niet is bedoeld.
Verder erkende de rechtbank dat de redelijke termijn overschreden is, omdat het bezwaar sinds 14 juli 2023 in behandeling is, maar vond het niet opportuun om in dit verzet te beoordelen welke gevolgen daaraan verbonden zijn. Opposante kan dit later opnieuw aan de orde stellen na ontvangst van het besluit op bezwaar.
De rechtbank concludeerde dat de overschrijding van de redelijke termijn niet betekent dat zij destijds niet zonder zitting tot haar uitspraak kon komen. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de uitspraak inzake nadere beslistermijn en dwangsom wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak blijft in stand.