Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:5111

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
ROT 25/3927
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WsgArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Eiseres heeft namens haar minderjarige zoon een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven naar aanleiding van een incident in een schoolbus waarbij haar zoon lichamelijk en geestelijk letsel zou hebben opgelopen door toedoen van een medescholier en een buschauffeur. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag af omdat onvoldoende objectieve aanwijzingen waren dat sprake was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

Na bezwaar verklaarde de CSG het bezwaar ongegrond. Eiseres stelde dat de CSG onterecht te hoge bewijseisen hanteerde en dat haar verklaringen en medische informatie voldoende waren. De rechtbank oordeelde dat de CSG terecht een afweging maakte op basis van de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven, waarin is bepaald dat een eigen verklaring onvoldoende is zonder objectieve aanwijzingen.

De rechtbank constateerde dat de aangifte strafrechtelijk was geseponeerd wegens onvoldoende bewijs en de jonge leeftijd van de medescholier. Er waren geen camerabeelden of getuigenverklaringen die de verklaring van eiseres ondersteunden. Medische informatie gaf geen uitsluitsel over de toedracht. Ook e-mailcorrespondentie met de school leverde geen duidelijkheid op. Snapchatberichten van de medescholier waren niet objectief te relateren aan het incident.

De rechtbank concludeerde dat de CSG de aanvraag terecht had afgewezen omdat de toedracht, aanleiding en omstandigheden onvoldoende duidelijk waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3927

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige zoon [naam] , wonend in [plaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. J. van Sintemaartensdijk,
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerster (CSG),

gemachtigde: mr. A.R. Link-van Spronsen.

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2024 (het primaire besluit) heeft de CSG een aanvraag van eiseres namens haar zoon om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds) afgewezen.
Bij besluit van 4 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de CSG het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld bij de rechtbank.
De CSG heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2026. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De CSG is ter zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Inleiding

1. Op 14 juni 2024 heeft eiseres namens haar minderjarige zoon, geboren op [geboortedatum] , bij de CSG een aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds ingediend.
1.1.
Volgens de verklaringen van eiseres die zijn opgenomen in het bij deze aanvraag overgelegde proces-verbaal van de aangifte die eiseres op 5 mei 2024 bij de politie heeft gedaan, is de zoon van eiseres op 30 november 2021 omstreeks 15:00 uur slachtoffer geworden van een geweldsmisdrijf. Hierbij heeft hij lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen.
1.2.
Eiseres heeft daarover verklaard dat haar zoon zich omstreeks voormeld tijdstip in de schoolbus bevond om vanuit school naar huis te worden gebracht. De chauffeur van de schoolbus pakte vaak de capuchon van de jas van de zoon vast en trok deze dan helemaal naar achteren. De zoon zag het als een grapje en trok terug aan de jas van de chauffeur. De zoon vertelde eiseres dat de buschauffeur soms te hard trok en dat hij dan een verstikkend gevoel kreeg. Eiseres heeft de school verzocht om de buschauffeur te vragen dit niet meer te doen. De buschauffeur gaf hier echter geen gehoor aan, want eiseres begreep van haar zoon dat deze ‘grapjes’ doorgingen. Terwijl de bus op de bewuste datum nog stil stond, pakte de buschauffeur omstreeks voormeld tijdstip wederom de capuchon van de zoon vast en trok deze met heel veel kracht over diens hoofd, wat verstikkend was. Terwijl dit gebeurde werd er ineens door een medescholier (op dat moment tien jaar oud), die naast de zoon zat, zeer hard met de vuisten op het hoofd van de zoon geslagen. De zoon kon de medescholier zien maar kon zichzelf niet beschermen, omdat de buschauffeur hem vast bleef houden. De medescholier bemoeide zich zomaar uit het niets met de situatie en ging door met de harde vuistslagen tegen het achterhoofd van de zoon, totdat hij er moe van werd en niet meer kon. In plaats van de medescholier tegen te houden, keek de buschauffeur toe en liet hij de zoon pas los toen de medescholier ophield met slaan. De zoon ging daarna van de pijn gelijk op zijn plek zitten en werd thuis afgezet. Hij kwam met zware hoofdpijn thuis en kon niets meer doen dan liggen. Eiseres was op dat moment niet thuis en zodoende belde de zoon haar. Eiseres is toen snel naar huis gegaan en werd onderweg gebeld door de onderdirecteur van de school met de mededeling dat er iets in de bus was gebeurd. Thuis trof eiseres haar zoon liggend op de bank aan en hoorde zij hem over vreselijke hoofdpijn klagen. Eiseres voelde grote knobbels op zijn hoofd en hoorde hem vertellen dat hij heel veel op zijn hoofd was geslagen.
1.3.
Eiseres heeft haar zoon de volgende dag (1 december 2021) meegenomen naar de huisarts en is daarna samen met haar zoon verhaal gaan halen bij de onderdirecteur van school. Eiseres heeft de onderdirecteur de knobbels laten voelen. De onderdirecteur vertelde eiseres dat hij de kinderen in de bus had ondervraagd en dat daaruit was gebleken dat de medescholier eerst de zoon van eiseres heel veel had geslagen. Eiseres heeft van de onderdirecteur ook begrepen dat de medescholier thuis ook snel boos wordt. Dit zou door zijn moeder zijn verteld. De buschauffeur heeft aan de onderdirecteur verteld dat hij een grapje had gemaakt door aan zijn capuchon te trekken. De onderdirecteur heeft hem gevraagd dat grapje niet meer te maken. De buschauffeur heeft niet over zijn medeplichtigheid verteld.
1.4.
De reden dat eiseres pas ruim tweeënhalf jaar later aangifte heeft gedaan, is dat later pas is gebleken dat het destijds opgelopen letsel blijvende schade heeft aangericht bij haar zoon. De zoon heeft in verband met zijn extreme hoofdpijnen diverse onderzoeken en een uitgebreide analyse moeten ondergaan bij de afdeling neurologie en neurochirurgie van het Erasmus ziekenhuis. Daaruit is gebleken dat de zoon door de vele vuistslagen ernstige letselschade aan zijn schedel heeft opgelopen. Dit is een vreselijke traumatische ervaring die hij heeft meegemaakt met ernstige medische gevolgen, zoals hoofpijn en pijnlijke knobbels die lijken te groeien. Het dagelijks leven van de zoon wordt hierdoor belemmerd. Tot op de dag van vandaag moet de zoon hiervoor blijvende medische controle ondergaan. Zodoende is eiseres naar haar zeggen door de behandelend artsen geadviseerd om alsnog aangifte te doen.

Afwijzing aanvraag

2. Met het primaire besluit heeft de CSG de aanvraag om een uitkering uit het Schadefonds afgewezen. Met het bestreden besluit heeft de CSG het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Ter onderbouwing van het bestreden besluit heeft de CSG gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoon slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Hiervoor zijn volgens de CSG onvoldoende objectieve aanwijzingen.

Beroep van eiseres

3. Eiseres betoogt dat de CGS zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar zoon slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Dit standpunt miskent volgens eiseres de bijzondere omstandigheden van het geval, doet geen recht aan de inhoud en betrouwbaarheid van haar verklaringen en negeert de door haar overgelegde medische informatie en
e-mailcorrespondentie met de onderdirecteur van de school. Volgens eiseres stelt de CGS door objectieve aanwijzingen te verlangen die haar verklaringen ondersteunen zwaardere eisen aan de bewijslast dan wettelijk en in de rechtspraak is vereist.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) kan uitkering kan worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
4.1.
De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om een uitkering als bedoeld in artikel 3 van Pro de Wsg beoordelingsruimte. Dat betekent dus dat de CSG een eigen afweging mag maken of uitkering in dit geval gepast is. Aan die beoordelingsruimte geeft de CSG invulling met de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven. Volgens paragraaf 1.1.4 van deze Beleidsbundel (versie 1 juli 2024) hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt. De beoordeling bestaat uit de volgende elementen. In de eerste plaats is de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep. Daarnaast moet voor de aannemelijkheid dat sprake is van een geweldsmisdrijf ook de toedracht van de feitelijke geweldshandeling, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder de feitelijke geweldshandeling heeft plaatsgevonden voldoende duidelijk zijn. Een eigen verklaring van een slachtoffer is, als dat het enige is, onvoldoende om de aannemelijkheid vast te stellen. Het kan dus zo zijn dat de CSG aanvullende informatie nodig heeft. Dat is ook het geval als er aangifte is gedaan, maar de aangifte geen strafrechtelijk gevolg heeft gekregen. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer dan ondersteunen. Medische informatie kan die verklaring doorgaans slechts in (zeer) beperkte mate ondersteunen. Het feit dat iemand bepaald fysiek of psychisch letsel heeft, geeft geen uitsluitsel over wat er is gebeurd. Als ook uit deze aanvullende informatie onvoldoende beeld kan worden gevormd van de toedracht van het geweldsmisdrijf, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond, dan is de aanvraag niet voldoende
onderbouwd en zal de aanvraag worden afgewezen. Deze afwijzing betekent niet dat de CSG het slachtoffer niet gelooft: de aanvraag wordt dan afgewezen omdat de opgave van het slachtoffer onvoldoende is onderbouwd met objectieve aanwijzingen.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt of de CSG terecht de aanvraag van eiseres om een uitkering uit het Schadefonds heeft afgewezen. Dit doet zij aan de hand van de beroepsgronden.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan eiseres meent, de CSG niet te zware eisen aan de bewijslast heeft gesteld. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recent nog heeft overwogen in haar uitspraak van 13 januari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:408) vloeit uit de wet en haar rechtspraak voort dat alleen een eigen verklaring van een slachtoffer (dan wel van diens wettelijk vertegenwoordiger) onvoldoende is om de aannemelijkheid van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf vast te stellen. Volgens deze rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraken van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1999, en 31 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6435) is het aan de aanvrager van een uitkering uit het Schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.
5.2.
Met de CSG is de rechtbank van oordeel dat eiseres hierin voor haar zoon niet is geslaagd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
5.3.
Nadat eiseres op 5 mei 2024 aangifte had gedaan van het geweldsmisdrijf dat op
30 november 2021 in de schoolbus zou hebben plaatsgevonden, heeft de politie haar bij brief van 14 mei 2024 laten weten dat er onvoldoende opsporingsindicaties zijn om de aangifte strafrechtelijk te kunnen onderzoeken. In de daartegen door eiseres ingestelde bezwaarschriftprocedure heeft de officier van justitie de zaak vervolgens geseponeerd. De reden hiervan was dat de medescholier ten tijde van het incident de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt en dus niet vervolgd kon worden. Met betrekking tot een eventuele vervolging van de buschauffeur was er naar de mening van de officier van justitie sprake van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Het beklag dat eiseres op grond van artikel 12 van Pro het Wetboek van Strafvordering heeft ingediend tegen deze beslissing van de officier van justitie heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 10 maart 2025 afgewezen. Daarbij heeft het gerechtshof overwogen dat het, daargelaten of er met betrekking tot de mishandeling voldoende aanknopingspunten voorhanden zijn, niet mogelijk is om de medescholier te vervolgen, omdat hij ten tijde van het incident jonger was dan twaalf jaar. Met betrekking tot de buschauffeur is het gerechtshof van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten aanwezig zijn om tot vervolging over te gaan, nu de aangifte niet wordt ondersteund door camerabeelden of getuigenverklaringen en naar het oordeel van het gerechtshof niet valt vast te stellen wat zich precies heeft afgespeeld en hoe het letsel van de zoon van eiseres is ontstaan. Het gerechtshof acht het niet aannemelijk dat nader onderzoek, mede gelet op het tijdsverloop, alsnog voldoende aanknopingspunten zal opleveren om met succes een strafvervolging tegen de buschauffeur in te kunnen stellen.
5.4.
Doordat geen vervolging is ingesteld, levert dat traject geen objectieve aanwijzing op die de verklaringen van eiseres over wat is gebeurd op 30 november 2021 ondersteunen. Ook uit het ontstane letsel en de beschikbare medische informatie daarover, blijkt niet wat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsincident waren. Letsel of medische verklaringen over het bestaan van letsel, geven nog geen uitsluitsel over de oorzaak daarvan. Uit de door eiseres overgelegde e-mailcorrespondentie die in de periode van eind september tot begin oktober 2024 tussen eiseres en de onderdirecteur van de school heeft plaatsgevonden blijkt evenmin wat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsincident waren. Daaruit blijkt weliswaar dat de onderdirecteur bevestigt dat eiseres het incident enige tijd geleden heeft gemeld op de school en dat zij er toen over hebben gesproken, maar daaruit blijkt ook dat het voor hem niet duidelijk was wat er precies is gebeurd. Omdat de melding volgens de onderdirecteur laat was gedaan, was het volgens hem ook niet te verifiëren. Hij heeft destijds wel de medescholier benaderd, maar die heeft toen te kennen gegeven dat het anders was verlopen. Omdat het een tijd geleden is, staat het hem niet meer helemaal bij en kan hij niet meer bevestigen dan hij heeft gedaan, aldus de onderdirecteur. Met haar opmerking dat het ontbreken van een adequate registratie van het incident op de school niet ten nadele van haar mag worden uitgelegd, gaat eiseres eraan voorbij dat de omstandigheid dat zij als gevolg hiervan in bewijsnood verkeert de CSG niet kan worden aangerekend (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1215, overweging 5.1, en 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1718, overweging 4). Evenmin kan een objectieve aanwijzing worden gevonden in de door eiseres in het geding gebrachte Snapchatberichten van de medescholier twee jaar na het voorval. Eiseres heeft betoogd dat in deze berichten door de medescholier wordt verwezen naar het incident. De rechtbank kan deze conclusie van eiseres niet volgen. Uit de enkele zin ‘Als je maandag op school komt ik ga je nog harder gooien dan vorige keer’, valt objectief geen verwijzing naar het incident van 30 november 2021 af te leiden. Voor zover dat al wel het geval zou zijn, valt hieruit evenmin de toedracht, aanleiding en de omstandigheden af te leiden.
5.5.
Onder voormelde omstandigheden heeft de CSG de aanvraag om een uitkering op grond van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsg naar het oordeel van de rechtbank geheel mogen afwijzen. Hierbij is van belang dat een uitkering uit het Schadefonds een financiële tegemoetkoming is die gefinancierd wordt uit belastinggeld. De CSG moet dit kunnen verantwoorden. Daarbij past niet dat de CSG een uitkering verstrekt als de aanleiding, toedracht en omstandigheden onduidelijk blijven.
5.6.
Voor zover eiseres betoogt dat haar zoon op grond van het evenredigheidsbeginsel in aanmerking moet komen voor een vergoeding, overweegt de rechtbank dat wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om tot die conclusie te komen. Uit het betoog van eiseres blijkt niet van bijzondere omstandigheden die de CSG niet bij de beoordeling heeft betrokken of die rechtvaardigen dat een uitzondering op de uitgangspunten van het beleid wordt gemaakt.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijg eiseres haar griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Hage, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 1 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.