Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:6999

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
ROT 24/899
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 AwirArt. 2.1 WhtArt. 2.2 WhtArt. 2.3 WhtArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieaanvraag kinderopvangtoeslag jaren 2014 en 2019 bevestigd

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten van de Dienst Toeslagen betreffende haar aanvraag om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Zij was het niet eens met de afwijzing van compensatie voor de jaren 2014 en 2019 en met de wijze van berekening van compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013.

De rechtbank oordeelt dat de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag voor de jaren 2014 en 2019 heeft afgewezen. Voor 2014 is vastgesteld dat eiseres geen kinderopvang heeft afgenomen en dus geen schade heeft geleden. Voor 2019 is onvoldoende gebleken dat de Dienst Toeslagen onrechtmatig heeft gehandeld of dat sprake is van institutionele vooringenomenheid.

Verder is geoordeeld dat de compensatie voor de jaren 2009 tot en met 2013 op juiste wijze is berekend, waarbij de rechtbank benadrukt dat herstelregelingen niet bedoeld zijn om administratieve fouten uit het verleden te corrigeren. Ook de hoogte van de immateriële schadevergoeding is volgens de rechtbank correct vastgesteld, waarbij toetsing aan het evenredigheidsbeginsel niet mogelijk is.

Ten slotte is het beroep ongegrond verklaard, waardoor eiseres geen recht heeft op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van compensatie voor 2014 en 2019 en de juiste berekening van compensatie voor eerdere jaren.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag voor de toeslagjaren 2014 en 2019 en met de wijze waarop de compensatie voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2011, 2012 en 2013 is berekend. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag en de compensatieberekening.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2014 en 2019 terecht heeft afgewezen en dat de compensatie op de juiste wijze is berekend. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 7 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2013 en 2014 afgewezen.
2.1.
Met het besluit van 8 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 toegewezen.
2.2.
Met het besluit van 30 augustus 2023 heeft de Dienst Toeslagen het besluit van 7 juli 2021 herzien en de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wht voor het jaar 2013 toegewezen en voor het jaar 2019 afgewezen. Het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 7 juli 2021 had van rechtswege betrekking op het besluit van 30 augustus 2023. [1]
2.3.
Met het besluit van 11 december 2023 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 7 juli 2021, 8 oktober 2021 en 30 augustus 2023 gegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 10 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de Dienst Toeslagen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst.
2.6.
Partijen hebben nadere stukken overgelegd.
2.7.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft, omdat geen van partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard gebruik dat zij gebruik wil maken van dit recht. [2] De rechtbank heeft het onderzoek gesloten. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie op grond van de Wht. Met het besluit van 7 juli 2021 heeft de Dienst Toeslagen de jaren 2013 en 2014 beoordeeld en vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie, omdat er geen fouten zouden zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag.
3.1.
Met het besluit van 8 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan eiseres € 55.751,- compensatie toegekend voor de toeslagjaren 2009, 2010, 2011 en 2012.
3.2.
Naar aanleiding van het bezwaar van eiseres tegen de besluiten van 7 juli 2021 en 8 oktober 2021 heeft de Dienst Toeslagen met het besluit van 30 augustus 2023 het besluit van 7 juli 2021 herzien en vastgesteld dat eiseres voor het jaar 2013 in aanmerking komt voor compensatie op grond van vooringenomenheid voor de maanden januari en februari en het compensatiebedrag verhoogd tot € 61.417,-. Daarnaast is aan eiseres een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming toegekend ter hoogte van € 1.688,-. Ten aanzien van het jaar 2019 heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft de Dienst Toeslagen het compensatiebedrag verhoogd tot € 63.376,-, omdat bij de berekening van de compensatie voor het toeslagjaar 2011 was uitgegaan van een onjuist bedrag. Voor het overige heeft de Dienst Toeslagen de besluiten van 8 oktober 2021 en 30 augustus 2023 gehandhaafd.
Heeft de Dienst Toeslagen terecht de aanvraag van eiseres om compensatie voor de jaren 2014 en 2019 afgewezen?
4. Eiseres betoogt dat er ten onrechte geen compensatie is toegekend voor de jaren 2014 en 2019. Ten aanzien van het jaar 2014 heeft de Dienst Toeslagen vooringenomen gehandeld door de kinderopvangtoeslag in 2013 stop te zetten toen het oudste kind van eiseres vier jaar werd, zonder navraag te doen over of eiseres gebruik maakte van buitenschoolse opvang. Dit heeft doorgewerkt in jaar 2014 door de kinderopvangtoeslag op € 0,- vast te stellen. In het ouderdossier dat eiseres in een andere procedure heeft ontvangen, zit een document waaruit volgt dat de Dienst Toeslagen heeft vastgesteld dat eiseres voor de periode tussen 1 maart 2014 en 30 juni 2014 studeerde. Dit duidt erop dat de bewindvoerder van eiseres een nieuwe aanvraag heeft gedaan. Ten aanzien van het jaar 2019 is de kinderopvangtoeslag vastgesteld op € 317,- op basis van een uurtarief van € 0,46. De Dienst Toeslagen heeft vooringenomen gehandeld door op basis van de aanvraag een definitieve beschikking vast te stellen zonder navraag te doen over de, van de norm afwijkende, hoogte van het uurtarief.
4.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is de volgende regel van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van haar bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen of een te harde toepassing van het wettelijke systeem van de kinderopvangtoeslag. [4]
4.2.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Toeslagjaar 2014
4.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2014. De zoon van eiseres is geboren op 18 februari 2009 en kon dus naar de basisschool vanaf 19 februari 2013. Eiseres heeft aan de Dienst Toeslagen verklaard dat haar zoon in 2013 naar school ging en hij vanaf dat moment niet meer naar de opvang ging. Dat betekent dat eiseres geen schade heeft geleden doordat aan haar in 2014 geen kinderopvangtoeslag is toegekend. Reeds om die reden heeft eiseres geen recht op compensatie. Omdat vaststaat dat eiseres geen kinderopvang in 2014 heeft afgenomen, maakt het niet uit of zij al dan niet een aanvraag kinderopvangtoeslag heeft gedaan. Het betoog van eiseres over een mogelijke aanvraag, die zou kunnen worden afgeleid uit de vastlegging door de Dienst Toeslagen van de door eiseres gevolgde studie, slaagt daarom niet.
Toeslagjaar 2019
4.2.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht geen compensatie toegekend voor het toeslagjaar 2019. Uit het dossier blijkt niet of eiseres een fout heeft gemaakt bij het invullen van de aanvraag, of dat de Dienst Toeslagen een fout heeft gemaakt bij het verwerken van een juist ingevulde aanvraag. In beide gevallen bestaat echter geen recht op compensatie. In het geval dat eiseres een onjuist uurtarief heeft ingevuld bij de aanvraag, mocht de Dienst Toeslagen uitgaan van de door eiseres verstrekte gegevens. [5] In het geval dat de Dienst Toeslagen de gegevens onjuist heeft verwerkt in de systemen, geldt dat de herstelregelingen niet zijn bedoeld om administratieve fouten te herstellen die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt. [6] Van institutioneel vooringenomen handelen door de Dienst Toeslagen of een onbillijkheid van overwegende aard die voortkomt uit de hardheid van het wettelijke systeem is ten aanzien van het toeslagjaar 2019 niet gebleken.
4.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiseres recht op compensatie omdat artikel 19 van Pro de Awir zou zijn geschonden?
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld door het recht op kinderopvangtoeslag te herzien buiten de in artikel 19 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regeling (Awir) gestelde termijn. De Dienst Toeslagen was niet bevoegd dat te doen, omdat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn een vervaltermijn is. Eiseres wijst daarbij op een conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus. [7] Uit openbare documenten blijkt dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van Pro de Awir.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen recht op compensatie in het geval artikel 19 van Pro de Awir zou zijn geschonden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft naar aanleiding van de conclusie van staatsraad advocaat-generaal Keus geoordeeld dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn geen fatale termijn is, zodat de Dienst Toeslagen ook na het verstrijken van die termijn bevoegd blijft een voorschot op een toeslag te herzien of een toeslag definitief vast te stellen. [8] De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat het enkele feit dat de in artikel 19 van Pro de Awir gestelde termijn is geschonden, niet betekent dat de Dienst Toeslagen vooringenomen heeft gehandeld in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht. [9] Eiseres heeft onvoldoende duidelijk gemaakt uit welke openbare documenten zou blijken dat de Dienst Toeslagen destijds bewust in strijd heeft gehandeld met artikel 19 van Pro de Awir.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de beschikkingen tot het verminderen of niet toekennen van kinderopvangtoeslag juist vastgesteld?
6. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de compensatie onjuist heeft berekend voor de jaren 2009 tot en met 2012 door voor het bedrag bij component A uit te gaan van de bedragen zoals vastgesteld bij de beschikkingen voor de kinderopvangtoeslag, terwijl er fouten zijn gemaakt bij de vaststelling van die bedragen. Het is niet duidelijk of de gemeentelijke bijdragen door eiseres zijn ontvangen. Ook heeft de Dienst Toeslagen de beschikkingen vastgesteld op grond van wijzigingen in het aantal opvanguren, terwijl uit het dossier niet volgt dat eiseres wijzigingen heeft doorgegeven.
6.1.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond is de volgende regel van belang. De compensatie bestaat uit een bedrag vanwege een beschikking tot het verminderen of niet toekennen van een kinderopvangtoeslag of het beëindigen van voorschotverlening voor een kinderopvangtoeslag die een direct gevolg is van institutionele vooringenomenheid of een te harde toepassing van de wet. [10]
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de bedragen bij component A juist vastgesteld. De Dienst Toeslagen moet bij de berekening van de compensatie uitgaan van bedragen zoals die zijn vastgesteld met de beschikkingen voor kinderopvangtoeslag. Zoals onder 4.2.2 overwogen zijn de herstelregelingen niet bedoeld om fouten die mogelijk in het verleden bij de besluitvorming over het recht op kinderopvangtoeslag zijn gemaakt te herstellen. Als de werkelijke schade hoger is dan het compensatiebedrag dat is toegekend op grond van artikel 2.3, eerste tot en met het zevende lid, van de Wht, kan eiseres een aanvraag doen om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. [11]
6.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld?
7. Eiseres stelt dat de immateriële schadevergoeding die de Dienst Toeslagen heeft toegekend te laag is. De daadwerkelijke immateriële schade is hoger. De Dienst Toeslagen had daarom moeten afwijken van het in de wet genoemde forfaitaire bedrag.
7.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de immateriële schadevergoeding juist vastgesteld. Het betoog van eiseres strekt ertoe dat de rechtbank de hoogte van de toegekende immateriële schadevergoeding toetst aan het evenredigheidsbeginsel. In artikel 120 van Pro de Grondwet is opgenomen dat de rechter niet treedt in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen. De Wht is een wet in formele zin. Artikel 2.3, vierde lid, van de Wht, waarin is opgenomen dat voor immateriële schade een bedrag van € 500,- per half jaar wordt toegekend, valt dus onder het toetsingsverbod. Er is ook geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor toepassing van de wettelijke bepaling in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht. De wetgever heeft onderkend dat gedupeerden ook meer of andere immateriële schade kunnen hebben geleden en voor het verkrijgen van compensatie daarvoor is ook nadrukkelijk een weg opengesteld, namelijk via een aanvraag om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade. [12] Omdat de wetgever een gemotiveerde keuze heeft gemaakt om in het kader van de integrale beoordeling forfaitair een het bedrag van € 500,- per half jaar toe te kennen, heeft de bestuursrechter geen ruimte om de hoogte van dit bedrag te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. [13]
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
8. Eiseres voert aan dat niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd en heeft verzocht de Dienst Toeslagen op te dragen haar persoonlijke dossier over te leggen, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag. Eiseres erkent dat zij dit verzoek niet baseert op enige wettelijke grondslag. De rechtbank begrijpt het verzoek van eiseres als een verzoek aan de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid een partij te verzoeken bepaalde stukken in te zenden. [14] De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding, omdat de Dienst Toeslagen de op de zaak betrekking hebbende stukken al heeft overgelegd. [15] Uit het dossier volgt op welke wijze de Dienst Toeslagen uitvoering heeft gegeven aan de kinderopvangtoeslag en onderbouwt daarmee het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.
3.Artikel 8:57, derde lid, van de Awb.
4.Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.
5.Vgl. artikel 4:2, tweede lid, van de Awb.
6.ABRvS 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5610, r.o. 4.1.
7.ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:159.
8.ABRvS 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1484, r.o. 33.
9.ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3380, r.o. 5.8.
10.Artikel 2.2, aanhef en onder a, van de Wht.
11.Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
12.Artikel 2.1, derde lid, van de Wht.
13.ABRvS 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2990, r.o. 8.6.
14.Artikel 8:45, eerste lid, van de Awb.
15.Artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.