Uitspraak
[vergunninghoudster]uit [plaats] (vergunninghoudster)
Overgangsrecht Omgevingswet
Met het bestreden besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het camperpark. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit planologisch strijdig gebruik met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo. Volgens het college kan de vergunning worden verleend, omdat uit het rapport “Camperpark Heliushaven Hellevoetsluis” van [bedrijf 1] van 25 april 2024 (de ruimtelijke onderbouwing) is gebleken dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
De gemeenteraad van Voorne aan Zee (de raad) heeft op 17 april 2025 een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) gegeven. [1]
Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
De afstand tussen de percelen van eisers en het terrein van het camperpark is ongeveer 58 m voor [adres 1] en ongeveer 65 m voor [adres 2] . Vanwege deze korte afstand van minder dan 100 m en gelet op het feit dat de percelen langs de aanrijroute van het camperpark liggen, waarbij het verkeer ter hoogte van [adres 1] afbuigt naar de Heliushaven, gaat de rechtbank ervan uit dat eisers gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van het camperpark. Dat er vanaf de percelen van eisers mogelijk geen direct zicht op het camperpark is, doet daar niet aan af. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers daarom belanghebbenden bij het bestreden besluit.
Is de omgevingsvergunning verleend in strijd met artikel 6.20a van de Omgevingsverordening Zuid-Holland?
Eisers hebben betoogd dat de in- en uitrit van het camperpark een beperking vormt voor het hoofdfietsnetwerk. Het feit dat de campers hier op een kort weggedeelte de weg delen met het fietsverkeer is naar het oordeel van de rechtbank niet genoeg om van een beperking voor het hoofdfietsnetwerk te spreken. Daarbij is van belang dat het aantal extra verkeersbewegingen beperkt is, dat het gemotoriseerde verkeer van en naar de jachthaven op deze plaats de weg nu al deelt met het fietsverkeer en dat er een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Vergunninghoudster heeft in haar reactie naar voren gebracht dat de meeste campers automatisch door de slagboom rijden op basis van kentekenregistratie en dat er genoeg ruimte op het terrein zelf is om kortdurend stil te staan. Ter zitting heeft zij toegelicht dat campers die toch stilstaan voor de slagboom zich al op het terrein van het camperpark bevinden en niet op de weg. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat op de Heliushaven zulke ernstige opstoppingen door stilstaande campers zullen ontstaan dat sprake is van een beperking van het hoofdfietsnetwerk.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang van de instandhouding van het hoofdfietsnetwerk in dit geval niet wordt geschaad. Het bestreden besluit is daarom niet in strijd met artikel 6.20a van de Omgevingsverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Nu het in dit geval om “aanpassen” gaat, heeft het college volgens eisers ten onrechte niet beoordeeld of daarbij aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig zijn om de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk te houden of te waarborgen.
Het college stelt dat de huidige planologische situatie een belangrijke rol speelt bij de beoordeling of sprake is van inpassen of aanpassen en of de structuur van de omgeving wordt aangetast. Volgens het college gaat het in dit geval om inpassen. De planlocatie is een afgebakend terrein met één samenhangende bedrijfsbestemming die aansluit aan en onderdeel uitmaakt van de Heliushaven, die bestaat uit de functies watersport en verblijfsrecreatie. De vestiging van een camperpark op de planlocatie sluit volgens het college aan op deze bestaande structuur en functies. Dat het terrein een oppervlakte heeft van ongeveer 1,1 hectare betekent volgens het college niet dat geen sprake is van een ontwikkeling op kavelniveau. Het terrein bestaat namelijk uit één bedrijfskavel en maakt met zijn recreatieve bedrijfsbestemming reeds deel uit van de bestaande structuur van de Heliushaven als watersport- en verblijfsrecreatief complex.
Het gaat in dit geval alleen om de vraag of de ontwikkeling geen wijziging op structuurniveau inhoudt en bij de aard en schaal van het gebied past. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. De ontwikkeling beperkt zich tot één bedrijfskavel. De toename van de verharding met ongeveer 25% van de oppervlakte van het terrein heeft niet tot gevolg dat sprake is van een wijziging op structuurniveau. Het college mocht bovendien in de beoordeling betrekken dat het perceel in het bestemmingsplan al was bestemd voor een watersportservicecentrum en daarmee deel uitmaakt van het totaal van recreatieve functies in de Heliushaven. Dat laatste verandert niet met de vergunde buitenplanse afwijking voor het camperpark; de vergunde ontwikkeling sluit hier juist bij aan. Verder acht de rechtbank van belang dat uit het bestreden besluit blijkt dat het provinciebestuur geen bezwaar heeft tegen de verlening van de omgevingsvergunning voor het camperpark.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de ontwikkeling kunnen beschouwen als “inpassen”. De omgevingsvergunning is daarom niet in strijd met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening verleend. De beroepsgrond slaagt niet.
In de eerste plaats is volgens eisers in de ruimtelijke onderbouwing niet gemotiveerd waarom het camperpark buitenstedelijk past. Dat geen recreatiewoningen worden gebouwd, is daarvoor niet voldoende. Eisers zijn van mening dat een camperpark met 63 standplaatsen op een terrein van ruim 12.000 m2 grootschalige recreatieve ontwikkeling is.
Daarnaast gaat volgens het beleid de voorkeur uit naar herontwikkeling of intensivering van bestaande locaties en moeten de mogelijkheden daarvoor eerst worden onderzocht. Dat is in de ruimtelijke onderbouwing niet gebeurd, terwijl het wel gaat om een grootschalige recreatieve ontwikkeling in het buitengebied. Volgens eisers is er binnen het gebied dat op kaart 10 bij de Omgevingsvisie is aangeduid als “bestaand verblijfsrecreatiepark” op de percelen direct ten noorden en ten westen van camping [camping] voldoende ruimte voor een camperpark met 63 plaatsen. De mogelijkheden van herontwikkeling van deze percelen (deelgebied A) voor de aanleg van een camperpark zijn echter niet onderzocht. Dat geldt ook voor de percelen die zijn aangeduid als deelgebied B en die op kaart 10 ook zijn aangeduid als “bestaand verblijfsrecreatiepark”. Weliswaar is de geldende bestemming voor die percelen “Dagrecreatie”, maar daarvan kan worden afgeweken en die afwijking is kleiner dan de met het bestreden besluit vergunde afwijking van de bedrijfsbestemming voor de Heliushaven.
Verder betogen eisers dat uit de Omgevingsvisie volgt dat regionale afstemming over de behoefte aan een recreatieve ontwikkeling vereist is. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt niet dat die regionale afstemming heeft plaatsgevonden. In de ruimtelijke onderbouwing wordt volstaan met de stelling dat op Voorne-Putten geen camperparken met meer dan 30 plaatsen puur gericht op campertoeristen aanwezig zijn.
In de toelichting staat dat de provincie grootschalige recreatieve ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied in het algemeen als vormen van buitenstedelijke recreatie beschouwt, waarop de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Het is wel van belang om op een vergelijkbare manier als bij de ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte aan de recreatieve ontwikkeling te onderbouwen en regionaal af te stemmen. In de toelichting staat verder dat de voorkeur uitgaat naar herontwikkeling of intensivering van bestaande locaties. De mogelijkheden voor herontwikkeling of intensivering van een bestaand terrein met een recreatieve functie moeten eerst worden onderzocht alvorens te komen tot een nieuwe ontwikkeling in het buitengebied.
Zowel bij een nieuwe recreatieve ontwikkeling als bij de herontwikkeling of intensivering van een bestaand terrein met een recreatieve functie moeten alle relevante aspecten worden betrokken bij de afweging. Ook het toepasselijke provinciale beleid wordt daarbij betrokken, in ieder geval het beleid en de regels voor ruimtelijke kwaliteit.
In de afweging om een nieuwe recreatieve ontwikkeling op deze locatie mogelijk te maken heeft het college betrokken dat het camperpark op deze locatie buitenstedelijk past. Het college heeft dit pas in het verweerschrift onderbouwd. Daarbij heeft het college gesteld dat de ontwikkeling van het camperpark past binnen de structuur van de Heliushaven als watersport- en verblijfsrecreatief complex. Er wordt minder dan 500 m2 aan gebouwde leisurevoorzieningen gerealiseerd, zodat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Het college heeft er verder op gewezen dat de locatie al een bestemming voor een watersportservicecentrum heeft met een wijzigingsbevoegdheid voor een verblijfsrecreatiepark met recreatiewoningen. Omdat deze planologische mogelijkheden al jaren niet zijn benut, is een andere (verblijfs)recreatieve invulling toegestaan. Vanwege het groeiende camperbezit en het achterblijvende aanbod is een zelfstandig camperpark volgens het college een waardevolle toevoeging op het bestaande verblijfsrecreatieve aanbod. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het camperpark buitenstedelijk past.
De rechtbank is verder van oordeel dat de behoefte aan een camperpark met 63 plaatsen voldoende is onderbouwd. In par. 3.1.2 van de ruimtelijke onderbouwing is alleen geconstateerd dat er op Voorne-Putten geen camperpark is met meer dan 30 plaatsen dat puur gericht is op de campertoerist. In het verweerschrift heeft het college een nadere toelichting gegeven. Bij de regionale afstemming mocht het college zich voor dit type recreatie beperken tot een beoordeling van het aanbod op Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee. Verder is van belang dat de regionale afstemming in de Omgevingsvisie vooral in verband wordt gebracht met de mogelijke gevolgen van nieuwe ontwikkelingen voor het functioneren van bestaande recreatiecomplexen, zoals leegstand of ongewenst gebruik. Nu is gebleken dat er in de relevante regio weinig bestaand aanbod aan camperplaatsen is en op Voorne-Putten geen specifiek camperpark aanwezig is, was verdere regionale afstemming met het oog op de gevolgen voor bestaande voorzieningen niet nodig.
Voor meer intensieve vormen van recreatie is voldoende ruimte beschikbaar in het overgangsgebied tussen het verstedelijkingsgebied en het landschappelijk en ecologisch waardevol gebied. Het gaat dan om 'Moolen Heerenhoek', de Quackpolder en het stedelijke uitloopgebied tussen de Amnesty Internationallaan en het Quackgors. Op deze plekken is, aansluitend op de bestaande voorzieningen, ruimte gereserveerd voor toeristisch-recreatieve ontwikkeling in combinatie met landschapsontwikkeling. Dat wil zeggen dat het primaat bij recreatie en toerisme ligt, maar dat bij de ontwikkeling van nieuwe voorzieningen nadrukkelijk rekening moet worden gehouden met het belang van andere functies, zoals landbouw, natuur en landschap. Door ontwikkeling van natuur en kleinschalige landschapselementen ontstaat een gebied met een vloeiende overgang van stad naar natuurgebied. De kwetsbare natuurgebieden (Duinen van Voorne) worden ontlast doordat voor recreanten nieuwe interessante gebieden beschikbaar komen, terwijl tevens de ecologische structuur aanzienlijk verbeterd wordt.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het camperpark in strijd is met het gemeentelijke beleid uit de structuurvisie. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college genoeg onderzoek naar alternatieven gedaan?
Volgens eisers heeft het college niet afgewogen of er alternatieve locaties voor het camperpark bestaan. Eisers stellen dat in de zienswijze van [gemachtigde 1] uitdrukkelijk is gewezen op een locatie langs de N497 aan de andere kant van camping [camping] . Het college had moeten toelichten waarom met dit alternatief geen gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Eisers wijzen er in dit verband ook op dat Omgevingsvisie de voorkeur geeft aan herontwikkeling of intensivering van bestaande locaties boven nieuwe locaties in het buitengebied en dat de gronden tussen camping [camping] en de N497 in de Omgevingsvisie als “bestaand verblijfsrecreatiepark” zijn aangeduid.
Verder stellen eisers dat in de zienswijzen ook als alternatief is voorgesteld om de locatie van het camperpark als heempark in te richten. Het college is daar volgens hen in de beantwoording van de zienswijzen ten onrechte niet op ingegaan.
Het tweede soort alternatief dat eisers naar voren hebben gebracht is een alternatieve locatie voor het camperpark. Hierover heeft het college in de reactie op de zienswijzen gesteld dat vergunninghoudster andere plannen heeft met de gronden langs de N497 bij camping [camping] . Verder heeft het college gesteld dat een camperpark op die locatie niet tot minder bezwaren leidt dan op de vergunde locatie aan de Heliushaven. De vestiging van een camperpark op de alternatieve locatie laat onverlet dat op de locatie aan de Heliushaven een watersportservicecentrum of een verblijfsrecreatiepark met vakantiewoningen kan worden gerealiseerd en dat is volgens het college niet zonder meer minder bezwaarlijk voor de omwonenden.
Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand duidelijk dat met de door eisers genoemde alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het college hoefde deze alternatieven daarom niet nader te onderzoeken en het college hoefde in de voorgestelde alternatieven geen reden te zien om de omgevingsvergunning te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Eisers stellen dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt ingegaan op het feit dat campers een scherpe haarspeldbocht moeten nemen om de Heliushaven op te rijden vanaf de Nieuwe Zeedijk. Volgens eisers moeten de campers daarbij op de linkerhelft van de Nieuwe Zeedijk rijden. In de bestaande situatie wordt de berm volgens hen al beschadigd door grote voertuigen. Lange campers kunnen de bocht zelfs niet in één keer maken. Dit zorgt voor gevaarlijke situaties, ook omdat er een hoogteverschil is in de Nieuwe Zeedijk. Bovendien komt de haarspeldbocht vanaf de Nieuwe Zeedijk naar de Heliushaven uit op een fiets- en wandelpad, het Gorzenpad. In de ruimtelijke onderbouwing staat weliswaar dat de aansluiting verder naar het westen is gelegd, maar volgens eisers is niet onderbouwd dat daarmee wordt voorkomen dat campers over de linker weghelft moeten rijden of achteruit moeten rijden om de bocht te kunnen maken. In de zienswijzennota is volgens eisers niet ingegaan op het betoog van [gemachtigde 1] dat campers de scherpe bocht niet kunnen maken. Het college heeft in de zienswijzennota wel gesteld dat voor de Nieuwe Zeedijk en Heliushaven geen verkeersaanpassingen voor de toegankelijkheid van campers nodig zijn. Volgens eisers heeft het college dat echter niet met objectief bewijs of onderzoek onderbouwd.
Eisers wijzen er verder op dat in het besluit van het college van 14 mei 2024, waarin is besloten principemedewerking te verlenen aan het volgen van een uitgebreide procedure voor het camperpark, en het daarbij behorende collegevoorstel nog is aangegeven dat de combinatie van de ontwikkeling met de bestaande verkeerssituatie aanleiding geeft tot het herbezien van de situatie. De beoogde in- en uitgang van het camperpark was op dat moment al verlegd naar de noordwestelijke hoek van de Heliushaven. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt echter niet dat het college de verkeerssituatie heeft herbezien bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Volgens eisers heeft het college ook in eerder overleg met vergunninghoudster al gewezen op de verkeersveiligheid in verband met de draaicirkel van campers en de ligging aan een fietsroute.
Daarnaast zijn eisers het niet eens met de conclusie in de ruimtelijke onderbouwing dat het camperpark niet leidt tot een verslechtering van de verkeerssituatie bij de fiets- en wandeloversteekplaats op de Nieuwe Zeedijk. Met de stelling dat ook zonder de aanleg van het camperpark maatregelen nodig zijn voor de veiligheid van fietsers en voetgangers bij de oversteek wordt volgens eisers niet onderbouwd dat de aanleg van het camperpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Juist omdat de verkeersveiligheid op de oversteekplaats in het geding is, worden in de ruimtelijke onderbouwing maatregelen aanbevolen. Het vergunnen van het camperpark zonder verkeersveiligheidsmaatregelen te treffen ter verbetering van de verkeersonveilige situatie is in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus eisers.
Voor de draaicirkel van een camper is volgens het college vooral de wielbasis (de afstand tussen voor- en achterwielen) van belang. Een camper met een meer dan gemiddelde lengte van 9,40 m heeft een wielbasis van 4,09 m. Uit berekeningen blijkt dat campers met deze afmetingen de draaicirkel eenvoudig kunnen halen. De allergrootste campers hebben wellicht iets meer tijd en meer manoeuvres nodig om de scherpe bocht te kunnen nemen, maar dat hoeft niet te leiden tot onveilige of onaanvaardbare situaties, ook vanwege de lage maximumsnelheid en de lage verkeersintensiteit. Verder stelt het college dat het fietsverkeer van en naar het Gorzenpad in beginsel niet bij de scherpe bocht komt vanwege de fietsoversteekplaats op ongeveer 60 m van de scherpe bocht. Daarnaast kunnen zich volgens het college vergelijkbare situaties voordoen als op het terrein conform de bestemming een watersportservicecentrum zou worden gevestigd, omdat het verkeer dan voor een groot deel bestaat uit motorvoertuigen met botentrailers en toeleveranciers van het bedrijf. In de bestaande situatie is dit al het geval bij de jachthaven aan de Heliushaven, die dezelfde aanrijroute gebruikt.
Het college stelt dat in de ruimtelijke onderbouwing niet wordt gesproken over een noodzakelijke aanpassing van de verkeerssituatie bij de scherpe bocht. Wel staat in de ruimtelijke onderbouwing dat de invloed op het camperpark op verkeersveiligheid van het langzaam verkeer gering is. Omdat op de Heliushaven een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt, is het snelheidsverschil tussen de verschillende verkeersdeelnemers zo gering dat de veiligheid van het langzaam verkeer is gewaarborgd. Hoewel dit met het oog op de verkeersveiligheid niet noodzakelijk is, kan worden overwogen om bij de entree van het camperpark borden te plaatsen die het gemotoriseerde verkeer wijzen op de aanwezigheid van langzaam verkeer. In de verkeersparagraaf van de ruimtelijke onderbouwing wordt wel aandacht gevraagd voor veiligheidsmaatregelen aan de fietsoversteekplaats bij de Nieuwe Zeedijk, maar die aanbevelingen golden ook al in de bestaande situatie. Het camperpark leidt niet tot een verslechtering van de verkeerssituatie bij de oversteekplaats. Het college stelt dat de verkeerssituatie bij de fietsoversteekplaats inmiddels is aangepast.
Het is niet uitgesloten dat vooral grote campers de scherpe bocht tussen de Nieuwe Zeedijk en de Heliushaven niet in één keer kunnen maken of op de andere weghelft komen in de bocht. De rechtbank kan het college echter volgen in zijn opvatting dat dit niet tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid leidt, gelet op de geringe hoeveelheid verkeer op de Heliushaven, de lage maximumsnelheid en het feit dat fietsers niet bij de scherpe bocht komen omdat ze al eerder kunnen oversteken bij de fietsoversteekplaats aan de Nieuwe Zeedijk.
Het college heeft op 14 mei 2024 een besluit genomen waarin is besloten principemedewerking te verlenen aan het volgen van een uitgebreide procedure voor het camperpark. In het collegevoorstel van 29 april 2024 dat hieraan ten grondslag ligt staat dat naar aanleiding van het initiatief op basis van de ruimtelijke onderbouwing geen verkeerskundige aanpassing nodig is, maar dat de combinatie van deze ontwikkeling met de reeds bestaande verkeerssituatie aanleiding geeft tot het herbezien van de situatie. Voor zover eisers hebben verwezen naar eerder overleg van het college met vergunninghoudster waarin de verkeersveiligheid aan de orde zou zijn geweest, blijkt uit de reactie van vergunninghoudster en het verhandelde ter zitting dat het hierbij om een brief uit 2022 gaat. Op dat moment was de in- en uitrit van het camperpark nog op een andere plaats voorzien en zouden campers daar ook achteruit rijden. Dat is in de vergunde situatie echter niet meer aan de orde. Voor zover eisers betogen dat vanwege de bestaande verkeersonveilige situatie bij de fietsoversteek maatregelen moeten worden getroffen, is de rechtbank van oordeel dat dit losstaat van het bestreden besluit. Het camperpark leidt niet tot een zo grote verkeerstoename dat het vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening alleen in combinatie met maatregelen aan de fietsoversteek kon worden vergund. Overigens is de situatie bij de fietsoversteek inmiddels aangepast. Er zijn namelijk kanalisatiestrepen aangebracht als snelheidsremmende maatregel voor het gemotoriseerd verkeer op de Nieuwe Zeedijk.
Gelet op het voorgaande heeft het college ervan kunnen uitgaan dat geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid zijn te verwachten. Het college heeft zich in zoverre in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verlening van de omgevingsvergunning voor het camperpark in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt niet.
In de eerste plaats stellen eisers dat uit het inrichtingsplan niet duidelijk blijkt met hoeveel parkeerplaatsen voor bezoekers rekening is gehouden in het ontwerp. Daarnaast zijn zij het niet eens met het standpunt van het college dat voor camperstandplaatsen geen parkeernormen gelden. Eisers betogen dat een camperpark valt onder de categorie ‘camping (kampeerterrein)’ uit bijlage 2 bij de Nota, waarvoor een parkeernorm van 1,1 à 1,3 per standplaats geldt. Het college had aan die parkeernorm moeten toetsen.
Zelfs als de camperstandplaatsen als parkeerplaats kunnen worden beschouwd, kan volgens eisers niet worden volstaan met 63 standplaatsen en een onbepaald aantal bezoekersparkeerplaatsen. Bij toepassing van het gemiddelde van de bandbreedte is er een parkeerbehoefte van 76 parkeerplaatsen. Dan zijn naast de standplaatsen in ieder geval 13 parkeerplaatsen nodig. Verder betogen eisers dat het bezoekersaandeel in de categorie ‘camping (kampeerterrein)’ volgens de Nota 90% bedraagt. Uit CROW-publicatie 381 volgt dat de kentallen exclusief 10% voor gasten van bezoekers zijn. Hiervoor zijn dus extra parkeerplaatsen nodig. De parkeerbehoefte bedraagt daarom volgens eisers 84 parkeerplaatsen. Daar komt nog bij dat ook parkeercapaciteit nodig is voor het personeel. Daarmee is in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte geen rekening gehouden.
Het college heeft pas in het verweerschrift het standpunt ingenomen dat er wel een parkeernorm van toepassing is op het camperpark en is daar alsnog inhoudelijk op ingegaan. Nu het college in eerste instantie de parkeernormen uit de Nota buiten beschouwing heeft gelaten, berust het bestreden besluit in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het bestreden besluit is op dit punt in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, omdat het college alsnog voldoende heeft onderbouwd dat er geen onaanvaardbare gevolgen zijn wat betreft parkeren en aannemelijk is dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
Toepassing van de parkeernorm van 1,2 parkeerplaats per standplaats leidt in ieder geval tot een parkeerbehoefte van 76 parkeerplaatsen. Daarbij mogen de 63 camperplaatsen als parkeerplaats worden geteld. Er moeten dus nog 13 andere parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Volgens eisers zijn daarnaast nog eens 8 extra parkeerplaatsen nodig voor gasten van bezoekers en een aantal plaatsen voor personeel.Volgens het college is de parkeerbehoefte van het personeel en de gasten van bezoekers al verdisconteerd in de parkeernorm en zijn er niet meer dan 76 parkeerplaatsen nodig.
Eisers hebben verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:678. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat bij de berekening van de parkeerbehoefte voor een minicamping ten onrechte geen rekening is gehouden met 10% extra plaatsen voor de bezoekers van campinggasten. In de uitspraak van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2034, heeft de Afdeling echter juist geoordeeld dat het bezoekersaandeel van 0,3 parkeerplaats per woning al is inbegrepen in de parkeernorm voor – in dat geval – sociale huurwoningen. Deze uitleg sluit volgens de Afdeling aan bij de systematiek van de CROW.
De rechtbank sluit zich aan bij de uitleg uit de uitspraak van 26 augustus 2020 en komt tot de conclusie dat in de parkeernorm uit de Nota van 1,2 parkeerplaats per standplaats zowel de campinggasten als personeel en bezoekers van campinggasten zijn begrepen. Dit volgt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de formulering van de overige parkeernormen in de Nota. Daar is namelijk steeds vermeld dat een parkeernorm van een bepaald aantal plaatsen (bijvoorbeeld per woning) geldt, waarvan een bepaald aantal voor bezoekers. De rechtbank leidt hieruit af dat in de systematiek van de Nota het bezoekersaandeel al is meegeteld in de parkeernormen en daar niet nog afzonderlijk bij hoeft te worden opgeteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college terecht is uitgegaan van een parkeerbehoefte van 76 parkeerplaatsen, bestaande uit 63 camperplaatsen en 13 andere parkeerplaatsen.
In dit geval hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat [persoon C] de zienswijzennota zelfstandig en integraal heeft opgesteld en dat geen sprake is geweest van een eigen beoordeling door het college. Deze conclusie kan niet worden getrokken op grond van het enkele feit dat [persoon C] als opdrachtleider op het voorblad van de zienswijzennota is vermeld. Voor zover de zienswijzennota al (mede) door [persoon C] is opgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat [persoon C] naast zijn rol als adviseur van vergunninghoudster in opdracht van het college structureel betrokken is geweest bij de totstandkoming van de omgevingsvergunning en de beoordeling van de zienswijzen. Er is dus niet gebleken van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie in de uitspraak van 10 november 2021.
De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college bij de voorbereiding van het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig heeft gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
In de eerste plaats betogen eisers dat het foerageergebied van de buizerd, de gierzwaluw en de huismus mogelijk wordt aangetast. Uit de quickscan blijkt niet of is onderzocht of het plangebied foerageergebied is voor deze waargenomen soorten en of het verbod van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet wordt overtreden. Daarnaast blijkt volgens eisers uit de quickscan niet waar de in en rond het plangebied waargenomen categorie 5-soorten ekster, groene specht, koolmees, pimpelmees, spreeuw, Turkse tortel en zwarte kraai precies zijn waargenomen. Als niet duidelijk is waar en in welke hoeveelheid deze soorten zijn waargenomen, kan niet worden beoordeeld of de genoemde verbodsbepaling wordt overtreden en of de omgevingsvergunning uitvoerbaar is.
Verder betogen eisers dat het college nader (veld)onderzoek had moeten laten uitvoeren naar aanleiding van de voortoets, waarin in par. 3.2.1 is aangegeven dat met name de brandgans, kievit, scholekster en rietzanger regelmatig worden waargenomen in het aangrenzende deel van het Natura 2000-gebied. Pas als duidelijk is waar de soorten precies voorkomen in het aangrenzende deel direct naast het plangebied kan een effectbeoordeling worden verricht en kan worden vastgesteld of zich significante negatieve effecten voordoen in de aanleg- en gebruiksfase. De effecten zijn volgens eisers groter naarmate het leefgebied van deze soorten zich dichter bij de oostelijke grens van het Quackgors bevindt.
Eisers betogen daarnaast dat in par. 3.6.2 van de voortoets zonder nadere onderbouwing wordt gesteld dat het geluid door extra verkeersgeneratie en recreanten zal wegvallen tegen het reeds bestaande (verkeers)geluid in en rond de jachthaven. Hieraan ligt geen akoestisch onderzoek ten grondslag. Daarom kan volgens eisers niet worden vastgesteld dat het geluid in de gebruiksfase niet tot verstoring leidt.
Naar het oordeel van de rechtbank is op grond hiervan voldoende aannemelijk dat met betrekking tot deze soorten de verboden uit artikel 11.37, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving niet worden overtreden.
De genoemde vogelsoorten zijn, met uitzondering van de scholekster, kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied “Haringvliet”. Effecten op deze soorten kunnen in beginsel tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied leiden.
In de voortoets is onderzoek gedaan naar de gevolgen van het camperpark voor het Natura 2000-gebied “Haringvliet”. Daarbij is uitgegaan van de kortste afstand tussen het Natura 2000-gebied en het projectgebied. Uit par. 3.2.1 van de voortoets blijkt dat het onderzoek betrekking heeft gehad op de soorten die regelmatig worden waargenomen in het aangrenzende deel van het Natura 2000-gebied direct ten westen van het plangebied (het deelgebied Quackgors). Naar het oordeel van de rechtbank is dat specifiek genoeg en kan ervan worden uitgegaan dat de conclusies uit de voortoets ook gelden als de genoemde vogelsoorten zich in het meest oostelijke deel van dit deelgebied bevinden.
Volgens de voortoets zijn er geen effecten door areaalverlies of versnippering, omdat het camperpark niet in het Natura 2000-gebied komt te liggen. Er zijn ook geen negatieve effecten door stikstof. Het Natura 2000-gebied “Haringvliet” is namelijk niet stikstofgevoelig. In de voortoets staat dat er in de aanlegfase een zeer geringe, niet significante verstoring door licht, geluid en beweging is en dat er in de gebruiksfase geen verstoring door licht, geluid en beweging optreedt. Eisers hebben dit niet gemotiveerd bestreden, behalve voor geluid in de gebruiksfase. Daarop wordt hierna afzonderlijk ingegaan. Voor het overige ziet de rechtbank in wat eisers hebben aangevoerd geen reden om aan de juistheid van de conclusies uit de voortoets te twijfelen.
Voor de beantwoording van de vraag of een omgevingsvergunning nodig is voor een Natura 2000-activiteit is bepalend of het project significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied kan hebben. Als dat niet kan worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt en kan de vergunning worden verleend als uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Uit de stukken blijkt dat een toename van het gemotoriseerd verkeer wordt verwacht van 32 mvt/etmaal. Zoals onder 19.1 is overwogen, is dit zeer beperkt in absolute zin en in verhouding tot de bestaande hoeveelheid verkeer. Daarnaast wordt enige toename van het aantal fietsers en wandelaars verwacht. Zelfs als het geluid van extra verkeer en recreanten niet volledig zou wegvallen tegen het bestaande geluid in de omgeving, zoals in de voortoets is vermeld, betekent dat nog niet dat sprake is van significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied of dat de natuurlijke kenmerken van het gebied worden aangetast. Gelet op de zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie in de voortoets dat zich geen significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied voordoen door geluid in de gebruiksfase.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie in dit geval anders is. Het college heeft de besluitenlijst van de vergadering van 14 mei 2024 en het bijbehorende collegevoorstel van 29 april 2024 overgelegd. In de besluitenlijst staat bij punt 6.2 (Camperpark Heliushaven Hellevoetsluis) onder 2 als gevraagde beslissing: “Te besluiten dat geen MER behoeft te worden opgesteld bij de concept omgevingsvergunning omdat er geen nadelige gevolgen zijn te verwachten voor het milieu.” Dit komt overeen met het collegevoorstel. In de besluitenlijst staat bij de besluiten over de in totaal vijf gevraagde beslissingen dat “conform na aanpassing” is besloten en dat de portefeuillehouder wordt gemandateerd om een tekstuele aanpassing te doen. Naar het oordeel van de rechtbank bevat de besluitenlijst, in samenhang gelezen met het collegevoorstel, in dit geval het eigenlijke mer-beoordelingsbesluit. De inhoud van dat besluit blijkt uit de besluitenlijst en het collegevoorstel. In het collegevoorstel is bovendien in de toelichting onder “Vormvrije mer-beoordeling” onderbouwd waarom volgens het college geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Gelet hierop kan het betoog van eisers dat geen afzonderlijk mer-beoordelingsbesluit is genomen niet slagen.
Aanvullende beroepsgronden van [gemachtigde 1]
De rechtbank ziet in wat eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college de aanvraag buiten behandeling had moeten laten. Daarbij is van belang dat de Awb de mogelijkheid biedt om de aanvrager een onvolledige aanvraag te laten aanvullen. Eisers zijn niet benadeeld doordat de gestelde termijn voor het aanvullen is overschreden.
Wat betreft inspraak is voldaan aan de eisen van afdeling 3.4 van de Awb. Met betrekking tot het inspreken in de vergaderingen van de raad en raadscommissie heeft het college verwezen naar de daarvoor geldende gemeentelijke regels. Het is de rechtbank niet gebleken dat in strijd met die regels is gehandeld. Daarnaast heeft de raad erop gewezen dat inspreken in de raad volgens de regels eigenlijk niet mogelijk is over onderwerpen waarbij een formele inspraakprocedure zoals de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is.
Wat eisers hebben aangevoerd leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is verlopen. De beroepsgronden slagen niet.
- participatie, informatieverstrekking en communicatie
Het college heeft toegelicht dat vergunninghoudster in de periode van februari tot september 2023 actief aan communicatie en participatie met de omgeving heeft gedaan. In februari 2023 heeft zij een brief verspreid aan ongeveer 60 direct omwonenden langs de Zoomweg en Nieuwe Zeedijk en andere belanghebbenden. Later zijn nog twee brieven verspreid in een groter gebied en in september 2023 is een inloopavond gehouden. Er zijn 27 inspraakreacties ingediend, die op meerdere punten hebben geleid tot aanpassingen aan het camperpark. Verder is volgens het college een uitvoerig en duidelijk participatieverslag gemaakt. In de anterieure overeenkomst is volgens het college afgesproken dat vergunninghoudster de informatieverstrekking op zich neemt. Dit betreft vooral het participatietraject.
Eisers hebben niet duidelijk gemaakt welke concrete bezwaren zij hebben over het participatietraject en de informatieverstrekking en communicatie door vergunninghoudster. Het is de rechtbank niet gebleken dat er op dit punt zodanige tekortkomingen zijn geweest dat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.
Uit beide besluiten blijkt dat het college respectievelijk de raad de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing onderschrijven. Dat het college en de raad voor hun motivering naar de ruimtelijke onderbouwing hebben verwezen, geeft in zijn algemeenheid geen aanleiding voor het oordeel dat de besluiten niet deugdelijk zijn gemotiveerd. Het college heeft bovendien toegelicht dat (de eerste versie van) de ruimtelijke onderbouwing inhoudelijk is beoordeeld door interne en externe adviseurs en naar aanleiding daarvan nog is aangepast en aangevuld. Voor zover eisers specifieke punten hebben aangevoerd waarop zij het niet eens zijn met de conclusies uit de ruimtelijke onderbouwing, is dat in het voorgaande bij de beroepsgronden over die onderwerpen al beoordeeld.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd of dat het college de verklaring van geen bedenkingen vanwege een ontoereikende motivering niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De beroepsgronden slagen niet.
- gemeentelijk beleid
Volgens eisers gaat de ruimtelijke onderbouwing alleen in op de effecten van het wegverkeer, maar niet op de generatie van stikstof en fijnstof van het camperpark zelf in de gebruiksfase. Zij hebben echter niet toegelicht waarom het ontbreken van een berekening voor de uitstoot van stikstof en fijnstof van het camperpark leidt tot strijd met het beleid uit het Luchtbeleidsplan 2020-2030. Overigens stelt de rechtbank vast dat in de AERIUS-berekeningen wel is ingegaan op de stikstofuitstoot door het propaangebruik van campers en door de koude start van het verkeer.
In verband met externe veiligheid stellen eisers dat vergunning is verleend voor een nieuwe risicobron, dit omdat campers kunnen ontploffen, lithium-ion-accu’s hebben die een brandrisico hebben en omdat een gastank bij de ingang van het camperpark wordt geplaatst. De plaatsing van de gastank is echter niet met het bestreden besluit vergund. Voor het overige hebben eisers niet concreet aangeduid waarom het college in strijd met het beleid uit de Beleidsvisie externe veiligheid zou hebben gehandeld door het camperpark te vergunnen.
In de ruimtelijke onderbouwing staat dat het Groenstructuurplan 2010-2020 niet eenduidig is over de Heliushaven. De Heliushaven staat ingetekend in de zone “Kust-strook” waarin ernaar wordt gestreefd om de kuststrook als doorgaand natuurgebied en ecologische verbindingszone toegankelijk en geschikt te maken voor soorten die afhankelijk zijn van de oevers van het Haringvliet, maar in het Groenstructuurplan is de Heliushaven ook benoemd als ontwikkeling in deze strook. In de ruimtelijke onderbouwing wordt geconcludeerd dat het camperpark niet in strijd is met het beleid, omdat het camperpark voorziet in een recreatieve en groene invulling van het perceel dat voor bedrijvigheid bestemd is. De rechtbank kan deze uitleg volgen, nu in het Groenstructuurplan al uitdrukkelijk rekening is gehouden met de ontwikkeling van de Heliushaven. Eisers hebben er daarnaast op gewezen dat het Quackgors volgens het Groenstructuurplan een van de gebieden is die de hoogste natuurwaarden herbergen en dat hier onder meer veel bedreigde kust- en pioniersvogels voorkomen. Volgens eisers geldt dit ook voor de locatie van het camperpark, die slechts op 21 m afstand van het Quackgors ligt. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de door eisers geciteerde passages uit het Groenstructuurplan echter alleen betrekking op het Quackgors. Zoals hiervoor al aan de orde is geweest, is in de voortoets geconcludeerd dat het camperpark geen significante gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied, waarvan het Quackgors deel uitmaakt. Ook op dit punt ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college in strijd met het gemeentelijke beleid heeft gehandeld. Voor zover eisers daarnaast nog hebben gewezen op handelingen van de gemeente in het verleden die volgens hen in strijd met de Wnb zijn, zoals het kappen van bomen en struiken en het verstoren van beschermde soorten, kan dit bij de beoordeling van het bestreden besluit geen rol spelen.
De beroepsgrond slaagt niet.
Dit betekent dat de omgevingsvergunning voor het camperpark blijft gelden, met het door de rechtbank toegevoegde voorschrift.
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van hetbesluit;
Algemene wet bestuursrechtArtikel 6:22Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.
(…)
(…)
Artikel 2.121. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van de ruimtelijke onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, onder a, onder 3°.
(…)
4. Terzake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
8. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing van een activiteit, dan wel van een plan of besluit slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën van gevallen.
Besluit milieueffectrapportageArtikel 21. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven, met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.
Kolom 4: BesluitenDe vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van Pro de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van Pro de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Omgevingsverordening Zuid-Holland,zoals geldend vóór 1 januari 2024Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit
b. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau. Een dergelijke ontwikkeling wordt alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten ruimtelijke kwaliteit. In dit geval is er sprake van aanpassen;
a. duurzame sanering van bestaande bebouwing, kassen en boom- en sierteelt;
(…)
bestemmingsplan:bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening, alsmede: (…)
d. omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, van het bestemmingsplan of van de beheersverordening wordt afgeweken;
Planregels bestemmingsplan “Heliushaven”Artikel 3 Bedrijf Pro3.1Bestemmingsomschrijving
• ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' uitsluitend bedrijfsactiviteiten die voorkomen in de categorieën 1 t/m 3.1 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten (bijlage 1) alsmede daarmee naar aard en omvang vergelijkbare bedrijven of inrichtingen zijn toegestaan
(…)