ECLI:NL:RBROT:2026:7147
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- L. Daum
- I. Tillema
- A.C.M. Klaasse
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over schorsing onderzoek na wijziging tenlastelegging in strafzaak witwassen en drugshandel
In de strafzaak tegen verdachte, waarin onder meer witwassen en handel in verdovende middelen worden ten laste gelegd, heeft de rechtbank Rotterdam op 19 juni 2026 een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Deze vraag betreft de uitleg van artikel 314 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering en het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014, met betrekking tot de noodzaak van schorsing van het onderzoek ter terechtzitting na een wijziging van de tenlastelegging indien de verdediging geen toestemming geeft voor voortzetting.
De zaak betreft complexe feiten rondom witwassen van grote hoeveelheden cryptovaluta, geldbedragen, goud, een zeilboot en onroerend goed, en handel in circa 145 kilo cocaïne. Tijdens de zitting van 29 mei 2026 heeft de officier van justitie een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, welke deels is toegewezen. De verdediging weigerde toestemming voor directe voortzetting van het onderzoek en verzocht om schorsing voor onbepaalde tijd, verwijzend naar artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014.
De rechtbank constateert dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014, met name over de vraag of schorsing zonder uitzondering moet plaatsvinden of dat er ruimte is voor belangenafweging. De rechtbank acht het zaaksoverstijgend belang groot en acht het gewenst dat de Hoge Raad hierover duidelijkheid verschaft. De rechtbank heeft het onderzoek om deze reden voor onbepaalde tijd geschorst en stelt de prejudiciële vraag, ondanks dat de schorsing reeds plaatsvond om een andere reden.
De verdediging handhaaft haar standpunt dat schorsing zonder meer moet plaatsvinden, terwijl de officier van justitie een ruimere uitleg voorstaat waarbij een belangenafweging mogelijk is. De rechtbank vraagt de Hoge Raad te beslissen of artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014 aldus moeten worden uitgelegd dat schorsing zonder meer verplicht is, of dat er ruimte is voor een belangenafweging en afwijzing van het verzoek tot schorsing onder bepaalde omstandigheden.
Uitkomst: De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 314 lid 2 Sv en het arrest uit 2014 omtrent de schorsing van het onderzoek na wijziging van de tenlastelegging zonder toestemming van de verdediging.