Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2026:7147

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
83-233606-22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 314 lid 2 SvArt. 553 SvArt. 4.2.28 Wetboek van Strafvordering (toekomstig)Art. 10 OpiumwetArt. 3a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vraag over schorsing onderzoek na wijziging tenlastelegging in strafzaak witwassen en drugshandel

In de strafzaak tegen verdachte, waarin onder meer witwassen en handel in verdovende middelen worden ten laste gelegd, heeft de rechtbank Rotterdam op 19 juni 2026 een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Deze vraag betreft de uitleg van artikel 314 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering en het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014, met betrekking tot de noodzaak van schorsing van het onderzoek ter terechtzitting na een wijziging van de tenlastelegging indien de verdediging geen toestemming geeft voor voortzetting.

De zaak betreft complexe feiten rondom witwassen van grote hoeveelheden cryptovaluta, geldbedragen, goud, een zeilboot en onroerend goed, en handel in circa 145 kilo cocaïne. Tijdens de zitting van 29 mei 2026 heeft de officier van justitie een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, welke deels is toegewezen. De verdediging weigerde toestemming voor directe voortzetting van het onderzoek en verzocht om schorsing voor onbepaalde tijd, verwijzend naar artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014.

De rechtbank constateert dat er in de praktijk onduidelijkheid bestaat over de uitleg van artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014, met name over de vraag of schorsing zonder uitzondering moet plaatsvinden of dat er ruimte is voor belangenafweging. De rechtbank acht het zaaksoverstijgend belang groot en acht het gewenst dat de Hoge Raad hierover duidelijkheid verschaft. De rechtbank heeft het onderzoek om deze reden voor onbepaalde tijd geschorst en stelt de prejudiciële vraag, ondanks dat de schorsing reeds plaatsvond om een andere reden.

De verdediging handhaaft haar standpunt dat schorsing zonder meer moet plaatsvinden, terwijl de officier van justitie een ruimere uitleg voorstaat waarbij een belangenafweging mogelijk is. De rechtbank vraagt de Hoge Raad te beslissen of artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest uit 2014 aldus moeten worden uitgelegd dat schorsing zonder meer verplicht is, of dat er ruimte is voor een belangenafweging en afwijzing van het verzoek tot schorsing onder bepaalde omstandigheden.

Uitkomst: De rechtbank stelt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad over de uitleg van artikel 314 lid 2 Sv en het arrest uit 2014 omtrent de schorsing van het onderzoek na wijziging van de tenlastelegging zonder toestemming van de verdediging.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Strafrecht
Parketnummer: 83-233606-22
Tegenspraak
Tussenbeslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam
in de strafzaak met parketnummer 83-233606-22 tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] te [postcode] .
Raadsman van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef.

Overweging

Op grond van artikel 553 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechter ambtshalve, op vordering van het openbaar ministerie of op verzoek van een betrokken procespartij de Hoge Raad een rechtsvraag stellen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag bijzonder gewicht kan worden toegekend, gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang.
De rechtbank heeft op 29 mei 2026 de zaak tegen de verdachte behandeld. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is, voldoet aan de hiervoor genoemde voorwaarden en dat het stellen van een prejudiciële vraag ook aangewezen is vanwege het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang van rechtseenheid.

Feitelijk verloop van de zaak

Aan de verdachte is bij dagvaarding van 25 maart 2024 (bijlage 1), onder meer, ten laste gelegd dat:
“5.
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13 december 2023, te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (van)
- 26,4 bitcoins (AMB-003-01), en/of
- 244.213,22,- EUR (VD-001-19), en/of
- een of meer andere (grote) hoeveelheden cryptovaluta en/of geldbedragen, en/of
- een hoeveelheid goud (AMB-007-01), en/of
- een zeilboot (AMB-007-01)
- onroerend goed en/of grond (AMB-007-01),

althans een of meer voorwerpen

Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”
In het kader van een pro-forma zitting heeft het openbaar ministerie via de mail in april 2024 een nieuwe concepttenlastelegging gedeeld, waarin feit 5 als volgt luidt:
“5.
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13 december 2023, te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (van)
- 26,4 bitcoins (VD-001-19) en/of 74.529 USDT (AMB-016-01),
- 932.548,- EUR (ZD-002-01), en/of
- 736.835,94,- EUR (ZD-003-01), en/of
- een of meer andere (grote) hoeveelheden cryptovaluta en/of geldbedragen, en/of
- een hoeveelheid goud (AMB-007-01), en/of
- een zeilboot (AMB-007-01), en/of
- onroerend goed en/of hectare grond (AMB-007-01),

althans een of meer voorwerpen

Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”

Op 22 mei 2026 heeft de officier van justitie via de mail het voornemen aangekondigd dat hij tijdens de inhoudelijke zitting van 29 mei 2026 een wijziging van de tenlastelegging zal vorderen. Op 27 mei 2026 is via de mail een correctie op deze voorgenomen vordering gevolgd. Hiermee zou feit 5 op de tenlastelegging uiteindelijk komen te luiden:
“5.
hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2017 tot en met 13 december 2023, te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (van)
- (cryptovaluta ter waarde van) 736.835,94,- US dollar (ZD-003-01), en/of
- 932.548,- EUR (ZD-002-01), en/of
- een of meer andere (grote) hoeveelheden cryptovaluta en/of geldbedragen, en/of
- een hoeveelheid goud (AMB-007-01), en/of
- een zeilboot (AMB-007-01), en/of
- onroerend goed en/of grond (AMB-007-01),

althans een of meer voorwerpen,

Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of
- gebruik heeft gemaakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.”

Tijdens de voordracht van de tenlastelegging tijdens de zitting van 29 mei 2026 heeft de officier van justitie conform zijn laatste e-mailbericht gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd.
De raadsman van de verdachte heeft zich tegen deze vordering tot wijziging verzet. De rechtbank heeft de vordering tot wijziging van de tenlastelegging deels toegewezen.
Na mededeling van de beslissing van de rechtbank heeft de verdediging geen toestemming verleend tot directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting en verzocht om schorsing van het onderzoek voor onbepaalde tijd. Hierbij heeft de raadsman verwezen naar artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2966; hierna: het arrest uit 2014). Op basis daarvan heeft de verdediging geconcludeerd dat voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting niet kan plaatsvinden zonder instemming van de verdediging. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de rechtbank niet kan volstaan met een korte ‘schorsing’ van het onderzoek van bijvoorbeeld een uur, omdat daarmee feitelijk sprake zou zijn van een onderbreking en een verkapte afwijzing van het verzoek tot schorsing.
De officier van justitie heeft zich verzet tegen het verzoek tot schorsing en voorgesteld om het onderzoek ter terechtzitting kort te onderbreken.
De rechtbank heeft het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst vanwege haar voornemen om een prejudiciële vraag te stellen. Daaraan voorafgaand hebben de verdediging en de officier van justitie de gelegenheid gehad om hun standpunt met betrekking tot dit voornemen en de inhoud van de te stellen vraag kenbaar te maken. Ook heeft de rechtbank over haar voornemen en de te stellen vraag collegiaal overleg gevoerd.

Zaaksoverstijgend belang

De rechtbank ziet in de praktijk dat raadslieden in toenemende mate na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging geen toestemming verlenen voor de directe voortzetting van het onderzoek ter terechtzitting en vervolgens verzoeken om schorsing, met verwijzing naar het arrest uit 2014. Op het eerste oog noopt de tekst van artikel 314 lid 2 Sv Pro in samenhang met de overwegingen in dat arrest tot toewijzing van het verzoek tot schorsing, zonder uitzondering, aangezien het de rechter geen ruimte biedt om enige belangenafweging te maken:
“Bij de behandeling van een zaak op tegenspraak zal het onderzoek (…) slechts aanstonds kunnen worden voortgezet indien de verdachte of zijn uitdrukkelijk gemachtigd raadsman daartoe toestemming heeft gegeven.” [1]
Daarbij is ook van belang dat de in 1994 voorgestelde wijziging van artikel 314 lid 2 Sv Pro (“De rechtbank schorst het onderzoek, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte door voortzetting van het onderzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad”) geen doorgang heeft gevonden, omdat werd gevreesd voor een uitholling van de rechten van de verdediging. [2]
Tegelijkertijd heeft de Hoge Raad reeds in 1935 [3] geoordeeld dat:
“(…) de schorsing van het onderzoek van art. 314 Sv Pro ten doel heeft aan den verdachte de gelegenheid te geven zijne verdediging op een andere, immers gewijzigde, telastlegging, dan waarvoor hij in rechten was geroepen, voor te bereiden.”
Gelet op de frequentie van vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging heeft een strikte uitleg van het arrest uit 2014 aanzienlijke proceseconomische gevolgen voor de strafrechtspleging. Zo is in de onderhavige zaak – hoewel de rechtbank het onderzoek om een andere reden heeft geschorst, zie hiervoor – een volledige zittingsdag met bijbehorende voorbereidingstijd van de meervoudige kamer verloren gegaan. De voorzitter van deze zittingscombinatie heeft dat ook ervaren bij een andere, meerdaagse zitting. Daarbij moest de zaak ook, als gevolg van een op voorhand kennisgegeven, verzochte en toegewezen wijziging tenlastelegging aan het begin van de behandeling, worden aangehouden op verzoek van de verdediging. De rechtbank heeft ook wetenschap dat deze situatie zich op inhoudelijke zittingen van andere collega’s heeft voorgedaan.
De rechtbank ziet dat in de praktijk door andere rechters ook een andere, ruimere uitleg wordt gegeven aan artikel 314 lid 2 en Pro het arrest uit 2014. Bij deze benadering lijkt het uitgangspunt te zijn dat onder omstandigheden het onderzoek ter terechtzitting kan worden voortgezet, eventueel na een (korte) onderbreking, ondanks het ontbreken van toestemming daartoe van de verdediging. [4] Hierbij wordt dus, ogenschijnlijk, ruimte genomen voor een belangenafweging en/of een afweging in het kader van de goede procesorde. Aan het belang van artikel 314 lid 2 Sv Pro om de verdediging in staat te stellen om zich adequaat te kunnen voorbereiden en verweren op de gewijzigde beschuldiging, zoals genoemd in het arrest uit 1935, [5] lijkt dan tegemoet te worden gekomen doordat a) het voornemen tot een vordering tot wijziging van de tenlastelegging tijdig voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling kenbaar is gemaakt en/of b) het onderzoek ter terechtzitting wordt geschorst in de vorm van een (korte) onderbreking van een of enkele uren, afhankelijk van de omvang van de toegestane wijziging van de tenlastelegging.
Ter ondersteuning van deze ruime uitleg kan worden gewezen op de bijzonderheden in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van de Hoge Raad uit 2014. Daarin was geen sprake van een voorafgaande kennisgeving van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging en ook niet van een onderbreking van het onderzoek ter terechtzitting. Tegelijkertijd volgt, als gezegd, uit het arrest niet dat dit omstandigheden zijn die kunnen worden meegewogen bij de beoordeling van het verzoek tot schorsing. Tegen de ruime uitleg kan verder worden aangevoerd, zoals de verdediging in deze zaak ook heeft gedaan, dat schorsing in de vorm van een onderbreking neerkomt op een verkapte afwijzing van het verzoek tot schorsing, terwijl daarvoor geen grond bestaat. Wanneer daarnaast sprake is van een wijziging die noopt tot een langere onderbreking/schorsing, bijvoorbeeld een dagdeel, zal dat in de praktijk vaak betekenen dat er daardoor onvoldoende – reeds geappointeerde – zittingstijd resteert om een zaak inhoudelijk te kunnen behandelen, reden waarom de zaak vervolgens alsnog voor langere tijd moet worden aangehouden. Zo zou dat ook in de onderhavige zaak het geval zijn geweest: een onderbreking/schorsing van de terechtzitting voor enkele uren zou onvoldoende tijd hebben overgelaten voor de inhoudelijke behandeling van de zaak en dus ook daarom zou de zaak moeten worden aangehouden.
Het verzoek tot aanhouding afwijzen of slechts tot een onderbreking overgaan, levert geen nietigheid op van het onderzoek op de terechtzitting of de toegewezen gewijzigde tenlastelegging, en in dat geval is evenmin sprake van een succesvolle grond voor wraking. [6] Wel staat de beslissing op gespannen voet met de huidige [7] wetsbepaling en het arrest uit 2014, en kan het raadslieden bijvoorbeeld aanleiding geven om de verdediging ter plekke neer te leggen. Het gebrek aan een rechtsgevolg maakt het verder onaannemelijk dat deze kwestie als zodanig voor de Hoge Raad wordt gebracht, aangezien er tegen de beslissing geen beroep open staat.
Een en ander maakt dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een zaaksoverstijgend belang: het aantal zaken waarin de onderhavige kwestie speelt neemt in haar ogen toe (mogelijk als gevolg van toenemende bekendheid van het arrest uit 2014 bij de advocatuur), er bestaat onduidelijkheid binnen de rechtspraak over de juiste rechtsopvatting, en afhankelijk van de uitleg zijn er grote proceseconomische- dan wel verdedigingsbelangen die worden geschaad.

Antwoord ‘nodig om te beslissen’

De jure ligt het verzoek van de verdediging om het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd te schorsen vanwege de toegewezen wijziging van de tenlastelegging in deze zaak nog voor aan de rechtbank. Omdat de rechtbank echter reden zag om in de onderhavige zaak een prejudiciële vraag te stellen was zij genoodzaakt om het onderzoek ter terechtzitting om die reden voor onbepaalde tijd te schorsen. De rechtbank is zich ervan bewust dat als gevolg daarvan de beantwoording van de prejudiciële vraag de facto geen verschil meer maakt in deze procedure: immers, de zaak is al, zij het om een andere reden, voor onbepaalde tijd aangehouden. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat zij nog steeds de mogelijkheid heeft om een prejudiciële vraag te stellen, nu onder bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat het antwoord van de Hoge Raad nodig is om te beslissen. [8] De rechtbank acht het vanuit het oogpunt van rechtsontwikkeling, rechtseenheid en het hiervoor beschreven zaaksoverstijgend belang en waarbij het, zoals gezegd, tevens zeer onwaarschijnlijk is dat deze kwestie anders door de Hoge Raad kan worden beantwoord, opportuun om deze vraag alsnog via een prejudiciële vraag voor te leggen aan de Hoge Raad.

Standpunten verdediging en officier van justitie

Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich niet verzet tegen het stellen van prejudiciële vragen. De raadsman persisteert bij diens verzoek tot schorsing, met verwijzing naar de tekst van artikel 314 lid 2 Sv Pro, het arrest van de Hoge Raad uit 2014 en de daarin besproken parlementaire geschiedenis.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen het stellen van prejudiciële vragen. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat hij zich niet kan verenigen met de uitleg van de verdediging van artikel 314 lid 2 Sv Pro en het arrest van de Hoge Raad uit 2014. Volgens de officier van justitie kan toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging alleen dan schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tot gevolg hebben wanneer de toegestane wijziging van de tenlastelegging zodanig van aard is dat deze daar aanleiding voor geeft (zowel wat betreft inhoud als wat betreft voorbereidingstijd). Daarvoor is volgens de officier in redelijkheid tevens een gemotiveerd standpunt van de verdediging vereist.

Beslissing

De rechtbank:
Stelt de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad:
Dient artikel 314 lid 2 Sv Pro, mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, zo te worden begrepen dat het onderzoek ter terechtzitting na een wijziging van de tenlastelegging zonder meer dient te worden geschorst indien de verdachte of raadsman geen toestemming geeft het onderzoek aanstonds of na een korte onderbreking voort te zetten, of is er ruimte voor een afweging of voldaan is aan het belang van de verdediging om zich op de gewijzigde tenlastelegging te kunnen voorbereiden, zoals dat ook is genoemd in het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235, dan wel of zich anderszins een grond voordoet om dat aanhoudingsverzoek af te wijzen?
Deze beslissing is op 19 juni 2026 gegeven door mr. L. Daum, voorzitter, mr. I. Tillema en mr. A.C.M. Klaasse, rechters, bijgestaan door mr. M.S. Westhof, griffier.
Mr. A.C.M. Klaasse is niet in de gelegenheid deze beslissing te ondertekenen.
Bijlage 1

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
1
hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13
december 2023 te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten
(onder andere)
één of meer onbekend gebleven personen (waaronder de persoon achter Sky
account [accountnaam] ),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (te weten de handel in
verdovende middelen zoals bedoeld in de Opiumwet en/ of witwassen);
2
hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13
december 2023 te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht
145 blokken cocaïne (zijnde circa 145 kilo), althans een grote hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13
december 2023 te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of
verstrekt en/of vervoerd en/of overgedragen, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft
gehad,
en/of heeft doen bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of
afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of overdragen en/of aanwezig
hebben
(van) in elk geval 145 blokken cocaïne (zijnde circa 145 kilo). althans een
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, zijnde een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
4
hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13
december 2023 te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten
- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren,
verstrekken en/of vervoeren, en/of
- het opzettelijk vervaardigen
van cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen
plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om
daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van
dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en/of zijn mededader(s), wist(en)
of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen
van dat feit,
door met een of meerdere (onbekend gebleven) personen berichten uit te wisselen
en/of afspraken te maken over (het afhandelen) van bestellingen en/of betalingen
daartoe en/of invoer en/of uitvoer en/of vervoer en/of afleveren en/of verbergen
van middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
en/of voorwerpen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen, te weten:
- een of meer (PGP)telefoon(s), en/of
- een of meer gegevensdragers, en/of
- bitcoins en/of andere cryptovaluta, en/of wallets en/of adressen
voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en)
of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die bestemd waren tot het plegen
van dat feit;
5
hij in of omstreeks in of omstreeks de periode van 01 januari 2020 tot en met 13
december 2023, te Rijswijk, althans in Nederland en/of Spanje en/of Colombia
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
meermalen, althans eenmaal (van)
- 26,4 bitcoins (AMB-003-01). en/of
- 244.213,22,- EUR (VD-001-19), en/of
- een of meer andere(grote) hoeveelheden cryptovaluta en/of geldbedragen, en/of
- een hoeveelheid goud (AMB-007-01), en/of
- een zeilboot (AMB-007-01)
- onroerend goed en/of grond (AMB-007-01),
althans een of meer voorwerpen
Sub a
- de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de
verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die
voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden
had(den)
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,
en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -
onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt;

Voetnoten

1.HR 14 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2966, r.o. 2.6.
2.Kamerstukken II 1993/94, 23705, 2 en 1994/95, 23705, 9, aangehaald in de conclusie van A-G Machielse bij het arrest uit 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1835.
3.HR 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235.
4.Zie bijv. de beslissing die aanleiding was voor een wrakingsverzoek, Rb. Midden-Nederland 30 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:434, en de beslissing van de rechtbank die uiteindelijk aanleiding was voor Hoge Raad 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1873 (art. 81 RO Pro).
5.HR 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235.
6.HR 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1235; HR 6 oktober 2020, ECL:NL:HR:2020:1552 (art. 81 RO Pro); HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1873 (art. 81 RO Pro); en Rb Midden-Nederland 30 januari 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:434.
7.Art. 4.2.28, tweede lid van het toekomstige Wetboek van Strafvordering biedt wel de mogelijkheid tot een belangenafweging: “Het onderzoek wordt direct of na een korte onderbreking voortgezet. Indien de verdachte daarom verzoekt, schorst de rechtbank het onderzoek voor bepaalde tijd, tenzij zij van oordeel is dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad wanneer het onderzoek direct wordt voortgezet.”
8.HR 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:204, r.o. 2.8.1 t/m 2.8.3.