ECLI:NL:RBROT:2026:7538

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
ROT 25/8091
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 AwbArt. 8:72 AwbArt. 4 Algemene Verordening Nadeelcompensatie RotterdamArt. 2 Algemene Verordening Nadeelcompensatie RotterdamArt. 7 Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nadeelcompensatie voor omzetderving door werkzaamheden knooppunt Roseknoop Rotterdam

Eiseres, een woninginrichtingszaak, vorderde nadeelcompensatie wegens omzetderving door langdurige werkzaamheden aan het knooppunt Roseknoop in Rotterdam. Het college had het nadeel vastgesteld op basis van het jaar 2022 als referentieperiode, vanwege de onrepresentativiteit van coronajaren 2020 en 2021. Eiseres betwistte deze keuze en de hoogte van het normaal maatschappelijk risico van 25%, alsmede de startdatum van de wettelijke rente en het niet vergoeden van proceskosten in bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat het college terecht kon afwijken van de gebruikelijke driejaarsreferentieperiode vanwege de uitzonderlijke omstandigheden van de coronacrisis, waarbij 2022 als representatief jaar kon dienen. Het beroep op het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel faalde omdat eiseres onvoldoende onderbouwing leverde dat andere ondernemers anders werden behandeld. Ook was er geen reden om het normaal maatschappelijk risico te verlagen, aangezien de werkzaamheden niet uitzonderlijk waren en de winkel toegankelijk bleef.

De rechtbank verwierp het standpunt dat de wettelijke rente met terugwerkende kracht vanaf het schadeveroorzakende handelen moest lopen en bevestigde dat de rente vanaf het verzoek om nadeelcompensatie begint. Wel oordeelde de rechtbank dat het college onterecht geen proceskostenvergoeding voor de rechtsbijstand in bezwaar had toegekend, omdat het bestreden besluit op dit punt werd herroepen. De rechtbank stelde de proceskostenvergoeding vast op €1.332,- en beval vergoeding van het griffierecht van €385,-. De overige onderdelen van het besluit bleven in stand.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor het niet vergoeden van proceskosten in bezwaar, die door de rechtbank zijn vastgesteld, en afgewezen voor de overige gronden.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8091

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[bedrijf] V.O.F., uit [plaats] , eiseres

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling van nadeelcompensatie die aan eiseres is toegekend vanwege de werkzaamheden bij knooppunt Roseknoop in Rotterdam . Eiseres is het niet eens met de wijze waarop de hoogte van het nadeel is vastgesteld. Aan de hand van de beroepsgronden van eiseres beoordeelt de rechtbank de vaststelling van het nadeel.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college vanwege de coronacrisis uit heeft kunnen gaan van één referentiejaar, in dit geval 2022. Er zijn verder geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het normaal maatschappelijke risico van 25% had moeten afwijken. Wel heeft het college ten onrechte geen kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar vergoed. Eiseres krijgt op dit punt gelijk en het beroep is dus in zoverre gegrond. Het bestreden besluit wordt, voor zover de proceskosten in bezwaar niet zijn vergoed, vernietigd. De rechtbank zal die proceskostenvergoeding zelf vast stellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft het college verzocht om nadeelcompensatie voor omzetdaling door de werkzaamheden aan knooppunt Roseknoop. Het college heeft met het besluit van 8 januari 2025 het verzoek toegewezen en het nadeel vastgesteld op € 16.849,- (exclusief € 245,- wettelijke rente, uitgaande van het moment van het volledig aangevulde verzoek).
2.1.
Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 is het bezwaar voor zover gericht tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente gegrond verklaard. Het college heeft de ingangsdatum van de wettelijke rente bepaald op de datum van ontvangst van het verzoek en gelet daarop de wettelijke rente verhoogd en vastgesteld op € 1.593,96. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] , de gemachtigde van het college en mr. A. Şengür van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) als deskundige namens het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een woninginrichtingszaak aan [straat] in [plaats] . Als gevolg van de werkzaamheden aan het knooppunt Roseknoop heeft eiseres nadeel geleden (omzetderving). Op 23 augustus 2023 heeft eiseres voor het jaar 2023 een verzoek om nadeelcompensatie ingediend bij het college.
3.1.
Met het besluit van 8 januari 2025 heeft het college het nadeel van eiseres voor het jaar 2023 vastgesteld op € 17.094 (inclusief wettelijke rente). Het college baseert zich daarbij op het rapport van de SAOZ van 18 december 2024. Voor zover relevant voor dit beroep is de hoogte van het nadeel vastgesteld aan de hand van de omzetdaling in 2023 ten opzichte van het referentiejaar 2022. Volgens de SAOZ is de werkelijke omzet over 2023 (€ 300.175,-) € 77.042,- lager uitgevallen dan mocht worden verwacht op basis van 2022, rekening houdend met de branchecorrectie van 3,1% voor de groei in 2023. Het nadeel is vervolgens vastgesteld aan de hand van de brutowinstmarge waarop de korting voor het normaal maatschappelijk risico van 25% is toegepast. Het voor vergoeding in aanmerking komend nadeel bedraagt € 16.849,-. De wettelijke rente is berekend vanaf het moment dat het verzoek van eiseres volledig was voorzien van de juiste gegevens (29 oktober 2024) en bedraagt € 245,-.
3.2.
In het bestreden besluit houdt het college onder verwijzing naar het advies van de Algemene Bezwaarschriftencommissie van 5 augustus 2025 vast aan het hiervoor vastgestelde nadeel. Wel wordt de wettelijke rente opnieuw berekend omdat de datum van ontvangst van het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) als uitgangspunt moet worden genomen. De wettelijke rente wordt daarom vastgesteld op € 1.593,96. Het college heeft niet beslist op het verzoek van eiseres om een proceskostenvergoeding in bezwaar.
Toetsingskader
4. Tot de inwerkingtreding van de wettelijke regeling voor nadeelcompensatie in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd nadeelcompensatie toegekend op grond van vaste rechtspraak. [1] Uitgangspunt is dat als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico (onevenredig nadeel) en die de benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, dit nadeel wordt vergoed. De gemeente Rotterdam heeft in de destijds toepasselijke Algemene Verordening Nadeelcompensatie (AVN) en de bijbehorende Beleidsregel nadere regels opgenomen om de hoogte van de nadeelcompensatie vast te stellen.
4.1.
Het wettelijk kader van deze zaak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Is de juiste referentieperiode tot uitgangspunt genomen en is de normomzet daarmee correct vastgesteld?
5. Eiseres stelt dat het college ten onrechte is afgeweken van het uitgangspunt dat voor de berekening van het nadeel een referentieperiode van drie jaar voorafgaand aan het schadejaar wordt gebruikt. Doordat het college uitsluitend 2022 als referentiejaar heeft genomen, is de normomzet aanzienlijk lager dan wanneer was uitgegaan van de periode 2020-2022 of een gemiddelde van de jaren 2020 en 2022 zonder piekjaar 2021. In dat verband heeft eiseres erop gewezen dat bij 50-60 andere ondernemers in de omgeving voor de berekening van het nadeel wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat voor de berekening van het nadeel gebruik is gemaakt van het rapport van de SAOZ en zij kon uitgaan van de juistheid van dit advies. Het college wijst er verder op dat voor de berekening van het nadeel in beginsel een referentieperiode van drie jaar wordt aangehouden, maar dat dit niet is voorgeschreven. De SAOZ heeft in het rapport van 18 december 2024 aangegeven dat hiervan kan worden afgeweken vanwege evidente maatschappelijke en/of economische ontwikkelingen en/of omstandigheden en de omzet van verzoeker als gevolg daarvan een autonome (bestendige) daling dan wel stijging heeft laten zien. De SAOZ stelt in dat verband dat niet voorbij kan worden gegaan aan de invloed van de coronacrisis (2020-2022). Door de maatregelen die de overheid heeft getroffen in 2020 en 2021, stelt de SAOZ dat die boekjaren niet representatief zijn. Voor 2022 ligt dat anders omdat de invloed van de coronacrisis en de bijbehorende maatregelen vanaf begin 2022 is afgenomen.
5.2.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan als sprake is van een onpartijdige en onafhankelijk deskundige en op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn. [2] Het bestuursorgaan dient zich ervan te vergewissen dat daaraan is voldaan [3] . Als voldoende concrete aanknopingspunten worden aangevoerd om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies, kan het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de deskundige om een reactie op wat over het advies is aangevoerd. [4]
5.3.
De rechtbank stelt voorop dat volgens artikel 4 van Pro de AVN het nadeel
in beginselwordt bepaald door uit te gaan van een referentieperiode van
zo mogelijkdrie jaar. In de toelichting op de AVN is opgenomen dat het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of in dit geval kon worden uitgegaan van referentieperiode van één jaar, te weten het jaar 2022. De rechtbank overweegt in dit verband dat de SAOZ kwalificeert als deskundige en het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van het advies van de SAOZ. Het college heeft – onder verwijzing naar de adviezen van de SAOZ – voldoende gemotiveerd dat de coronacrisis zo een uitzonderlijke situatie betrof dat die jaren niet als referentieperiode kunnen gelden. Omdat deze crisis volgens de SAOZ een dusdanige invloed (in positieve en negatieve zin) heeft gehad op de omzetontwikkeling van bedrijven, en iedere branche / bedrijf een eigen unieke reactie heeft gehad op de coronamaatregelen, kan in algemene zin niet meer gesproken worden van representatieve omzetten voor het vaststellen van het nadeel. De rechtbank betrekt daarbij dat eiseres tijdens de hoorzitting van de SAOZ de invloed van de coronacrisis zelf heeft erkend. Zij heeft destijds aangegeven dat de verkopen in 2020 en 2021 behoorlijk zijn gestegen omdat mensen door de coronacrisis meer thuis zaten (omzetgroei van 42,5% respectievelijk 19,3%). De omzet in 2022 was volgens eiseres juist weer gekrompen (daling van 22% ten opzichte van 2021) en als het ware genormaliseerd ten opzichte van de fors positieve coronajaren. Tegen de achtergrond van de uitzonderlijke omstandigheden van de coronacrisis is de rechtbank van oordeel dat het college in dit geval heeft kunnen uitgaan van een referentieperiode van één (1) jaar en daarvoor 2022 als uitgangspunt heeft kunnen nemen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en, zoals ter zitting is gebleken, het evenredigheidsbeginsel, leidt niet tot een andere conclusie. In dat verband heeft eiseres weliswaar aangevoerd dat bij andere ondernemingen wel is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar eiseres heeft dat niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd. Ter zitting heeft de SAOZ desgevraagd bevestigd dat slechts in een enkel geval is uitgegaan van een referentieperiode van drie jaar, maar dat daar sprake was van een stabiele omzet gedurende de referentieperiode. Omdat eiseres het beroep op het evenredigheidsbeginsel niet anders heeft onderbouwd dan dat zij op dezelfde wijze behandeld wil worden als andere ondernemingen en vindt dat een langere referentieperiode had moeten worden aangehouden, leidt dat standpunt onder verwijzing naar het voorgaande niet tot een andere uitkomst. Verder is ter zitting komen vast te staan dat met de toegepaste branchecorrectie van 3,1% in het voordeel van eiseres het hoogste groeipercentage is toegepast, zodat eiseres geen belang heeft bij de beoordeling van de vraag of de winkel van eiseres in een andere branche valt. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het college de normomzet juist heeft vastgesteld.
5.4.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is het toegepaste normaal maatschappelijk risico van 25% disproportioneel?
6. Eiseres stelt dat, gelet op de grote hinder en de lange duur van de werkzaamheden, sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het normaal maatschappelijk risico lager moet worden vastgesteld (bijvoorbeeld 10%) dan het toegepaste percentage van 25% waar het college op grond van de AVN standaard van uitgaat. Eiseres stelt in dat verband dat de Roseknoop één van de drukste verkeersknooppunten is van Rotterdam en dat het kruispunt volledig afgesloten was voor het autoverkeer, tram- en buslijnen niet reden en fietsers en voetgangers grote omwegen moesten maken via drukke routes, met een structurele vermindering van bezoekersstromen en omzetdaling voor omliggende ondernemingen tot gevolg. Daarbij stelt eiseres dat er in de eerste maanden van de werkzaamheden geen adequate bewegwijzering en informatievoorziening voor bezoekers en winkeliers was, zodat geen mitigerende maatregelen konden worden getroffen.
6.1.
Het college geeft aan dat bij het vaststellen van het normaal maatschappelijk risico beoordelingsruimte bestaat. Daarbij is als uitgangspunt gekozen voor 25%, welk percentage – zo bevestigt de SAOZ in het rapport van 18 december 2024 – overeenkomt met de stand van het recht en de algemene praktijk. Van dat percentage kan worden afgeweken in bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als de werkzaamheden langer duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Het college stelt dat uit vaste rechtspraak [5] volgt dat reconstructieve beheersmatige- en/of onderhoudswerkzaamheden aan de openbare infrastructuur en de publieke ruimte, zoals de werkzaamheden rondom de Roseknoop, niet uitzonderlijk zijn en worden aangemerkt als een normale maatschappelijke ontwikkeling.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van het gebruikelijke percentage van 25% had moeten afwijken. Voor de vraag of gelet op de aard, omvang en duur van de werkzaamheden sprake was van bijzondere omstandigheden die hadden moeten leiden tot een lager kortingspercentage, heeft het college zich onder meer kunnen baseren op rechtspraak over vergelijkbare werkzaamheden. [6] Ook daar was – ondanks bijvoorbeeld een duur van 23 maanden voor werkzaamheden, veel langer dan in dit geval – geen sprake van bijzondere omstandigheden die konden leiden tot een lager normaal maatschappelijk risico. [7] Het is de rechtbank verder niet gebleken dat de winkel van eiseres door de werkzaamheden helemaal niet meer toegankelijk was. Ook voor het overige is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat het college niet mocht uitgaan van een normaal maatschappelijk risico van 25%. De rechtspraak waar eiseres naar verwijst voor een andersluidend standpunt, ziet niet op vergelijkbare situaties en blijft om die reden buiten bespreking.
6.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft het college de juiste startdatum voor de wettelijke rentevergoeding gehanteerd?
7. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de wettelijke rente pas begint te lopen bij het verzoek om nadeelcompensatie (23 augustus 2023) en niet op het moment van aanvang van het schadeveroorzakend handelen (9 januari 2023).
7.1.
Uit zowel artikel 7, aanhef en onder b, van de AVN als rechtspraak [8] volgt dat de wettelijke rente aanvangt op het moment van het verzoek om nadeelcompensatie dan wel – als het nadeel later ontstaat – op het moment dat dat nadeel ontstaat. Hieruit kan niet worden afgeleid dat – voor zover later om nadeelcompensatie is verzocht dan het nadeel is ontstaan – de wettelijke rente met terugwerkende kracht tot aan de aanvang van het schadeveroorzakend handelen moet worden berekend. Dat volgt ook niet uit de rechtspraak waar eiseres naar verwijst. De rechtbank is van oordeel dat het college voor het bepalen van de wettelijke rente in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van het moment van het verzoek om nadeelcompensatie.
7.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had het college de kosten voor rechtsbijstand in bezwaar moeten vergoeden?
8. Eiseres heeft tot slot verzocht om vergoeding van de kosten die zij heeft gemaakt in bezwaar. Die kosten zien op het inschakelen van een deskundige en een advocaat en haar eigen tijdsbesteding.
8.1.
De rechtbank heeft het beroep zo opgevat dat eiseres stelt dat het college ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend in bezwaar. In bezwaar is daar wel om verzocht. Ter zitting heeft het college onderkend dat hier in het bestreden besluit niet op is besloten, maar dat geen aanleiding bestaat om de proceskosten te vergoeden. Het college stelt dat het besluit van 8 januari 2025 is gehandhaafd, omdat daarin ook al wettelijke rente is toegekend. In het bestreden besluit is uitsluitend de datum voor de berekening verschoven en dat leidt maar tot een beperkte aanpassing van de toegekende wettelijke rente.
8.2.
Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vergoedt het bestuursorgaan op verzoek de kosten die de belanghebbende redelijkerwijs heeft moet maken voor de behandeling van het bezwaar voor zover het bestreden besluit wordt herroepen door een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Uit vaste rechtspraak volgt dat van herroeping alleen sprake is als een ontvankelijk bezwaar leidt tot intrekking of wijziging van het primaire besluit (zodanig dat het primaire besluit wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde rechtsgevolg). [9] Van ‘herroepen’ is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank sprake. Met het bestreden besluit heeft het college de aanvangsdatum – conform de voorschriften als beschreven onder 7.1 – voor het bepalen van de wettelijke rente immers gewijzigd. Dat is – anders dan het college betoogt – een materiële wijziging van het primaire besluit als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb en heeft tot gevolg dat – door de aanpassing van die aanvangsdatum – eiseres een hoger bedrag aan wettelijke rente krijgt vergoed. Dat de wijziging van het primaire besluit volgens het college heeft geleid tot een beperkte aanpassing van de wettelijke rente, maakt voorgaande niet anders. Uit het dossier volgt dat dit punt in bezwaar is aangevoerd door de advocaat van eiseres, die tevens aanwezig was bij de hoorzitting op 23 juni 2025. De rechtbank oordeelt daarom dat het college ten onrechte de kosten voor voornoemde professionele rechtsbijstand niet heeft vergoed. Omdat de deskundige geen bijdrage heeft geleverd aan dit onderdeel, komen deze kosten niet in aanmerking voor vergoeding. De eigen tijdsbesteding van eiseres is geen kostenpost die onder het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) valt. Omdat het Bpb uitputtend opsomt welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen, is het college niet verplicht deze kosten te vergoeden. [10]
8.3.
Deze beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9. Voor zover het beroep van eiseres ziet op de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand in bezwaar slaagt het beroep. De overige beroepsgronden slagen niet.
9.1.
De rechtbank zal daarom het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb vernietigen voor zover daarbij de kosten van rechtsbijstand van eiseres in bezwaar niet zijn vergoed. [11] Dat betekent dat de overige onderdelen van het bestreden besluit (omvang van het nadeel en de uiteindelijk vastgestelde wettelijke rente) in stand blijven.
9.2.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en de proceskostenvergoeding in bezwaar vast te stellen. De rechtbank beschouwt de zaak als van gemiddeld gewicht waarvoor een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd. De rechtbank zal daarom de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken onder toepassing van het huidige Bpb vaststellen op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, € 666,- per punt, wegingsfactor 1). Deze uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit.
9.3.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht van € 385,- te vergoeden. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep, omdat in beroep geen bijstand is verleend door een professioneel rechtsbijstandverlener en alleen bij professionele rechtsbijstandverlening een proceskostenvergoeding aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de gemaakte kosten van rechtsbijstand in bezwaar niet zijn vergoed;
- bepaalt dat het college aan eiseres een bedrag van € 1.332,- aan kosten van rechtsbijstand in bezwaar vergoedt;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;
- bepaalt dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 385,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, voorzitter, en mr. A.M.J. Adriaansen en mr. A. Dingemanse, leden, in aanwezigheid van A. Ay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: het wettelijk kader van deze uitspraak

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 7:15
2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam
Artikel 2 Recht Pro op nadeelcompensatie
Het bestuursorgaan kent op aanvraag van degene die schade heeft geleden ten gevolge van de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak een vergoeding toe, voor zover de benadeelde daardoor in het bijzonder en in abnormale mate wordt getroffen.
Niet voor vergoeding komt in aanmerking schade die behoort tot het normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico.
Het college van B&W kan nadere regels stellen met betrekking tot de omvang van het normaal ondernemersrisico en het normaal maatschappelijk risico.
Indien een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 1 voor Pro de aanvrager naast schade tevens voordeel oplevert, dan wordt dit, voor zover dit redelijk is, bij de vaststelling van de te vergoeden schade in mindering gebracht.
Artikel 4 Winst Pro- of inkomstenderving
1. Indien de schade bestaat uit winst- of inkomstenderving, wordt de omvang daarvan in beginsel bepaald door:
a. de gemiddelde omzet gedurende een periode van zo mogelijk drie jaar te vergelijken met de omzet in het jaar waarin de schade is geleden. Daarbij wordt een inflatiecorrectie toegepast en waar mogelijk een branchecorrectie of een trendcorrectie;
b. van de vastgestelde gemiste omzet worden afgetrokken de kosten van het product of de dienst alsmede de kosten die ten gevolge van de omzet- of inkomstenderving bespaard zijn of redelijkerwijs bespaard hadden kunnen worden.
Artikel 7 Andere Pro voor nadeelcompensatie in aanmerking komende kosten
Voor vergoeding komen tevens in aanmerking:
(…)
b. de wettelijke rente vanaf de ontvangst van de aanvraag of indien het nadeel op een later tijdstip is ontstaan, vanaf dat tijdstip;

Artikelsgewijze toelichting op de AVN

Artikel 4
(…)
Normomzet
Het uitgangspunt bij de omzetbenadering wordt gevormd door de ‘normomzet' die wordt bepaald aan de hand van in het verleden gerealiseerde omzetten. Als normomzet wordt beschouwd de omzet die naar redelijke verwachting behaald zou zijn in de schadeperiode, de schadeveroorzakende omstandigheid weggedacht. De berekening van de normomzet gebeurt in 3 stappen. In de eerste plaats wordt een referentieperiode vastgesteld. Vervolgens worden de in de referentieperiode behaalde omzetten gecorrigeerd voor inflatie naar een peildatum voorafgaand aan het eerste schadejaar (inflatiecorrectie). Tenslotte wordt van deze gecorrigeerde omzetten het gemiddelde genomen en wordt op dat gemiddelde een branchecorrectie toegepast die representatief wordt verondersteld voor de gemiddelde bedrijfsontwikkeling in de betreffende branche sedert de peildatum.
Referentieperiode
Voor de bepaling van de normomzet wordt een referentieperiode vastgesteld die bij voorkeur bestaat uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode. Het kan voorkomen dat de omzetten uit de drie jaar voorafgaande aan de schadeperiode niet beschikbaar zijn of niet voldoende representatief zijn. Ook kan het voorkomen dat de omzet in de jaren voorafgaande aan de schadeperiode een dusdanig trendmatig verloop vertoont, dat het gemiddelde van deze omzetten geen objectief beeld oplevert. In die gevallen zal de normomzet anderszins moeten worden berekend
Beleidsregel behorende bij de Algemene Verordening Nadeelcompensatie Rotterdam
Normaal maatschappelijk risico
Groei, ontwikkeling en verbetering zijn in een stad als Rotterdam voortdurend aan de orde en noodzakelijk om aan de behoeften van alle gebruikers van de stad te blijven voldoen. Veel van de (onder-houds)werkzaamheden die in de stad worden uitgevoerd, gelden dan ook als normale maatschappelijke ontwikkeling, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffene(n) mogen worden gelaten. Dit verschijnsel wordt aangeduid met het begrip 'normaal maatschappelijk risico'.
Voor de gemeente Rotterdam geldt dat in ieder geval tot de normale maatschappelijke ontwikkelingen behoren alle periodieke en reguliere werkzaamheden en onderhoud aan de infrastructuur in de stad (zoals wegen, fiets- en voetgangerspaden, straatverlichting, bruggen, riolering, kabels en leidingen). Maar ook nieuwbouw en herinrichting van wijken en straten en al dan niet tijdelijke verkeersmaatregelen, gelden als normaal maatschappelijk verschijnsel.
Normaal ondernemersrisico
Voor bedrijven geldt daarnaast het normale bedrijfs- of ondernemersrisico. Uitgangspunt is dat elke zelfstandige ondernemer zijn onderneming drijft voor zijn eigen risico en ook zelf verantwoordelijk is voor zijn beslissingen. Tot het normale ondernemersrisico behoren nadelen die direct samenhangen met de keuze voor een bepaald type bedrijfsvoering of een bepaalde inrichting van het bedrijf inclusief de keuze voor een bepaalde locatie (bijv. garages die in drukke straten gevestigd zijn, horeca die rekening moet houden met wijzigingen in sluitingstijdenbeleid, supermarkten gelegen in gebieden met beperkte laad en losmogelijkheden). Ondernemers hebben te maken met een uitgebreidere risicotoerekening. Alleen als de maatregel sterk afwijkt van het normale verwachtingspatroon, waarop elke ondernemer bedacht dient te zijn, kan een aanspraak op nadeelcompensatie bestaan.
Kortingspercentage
Wanneer sprake is van overlast of nadeel dat het normaal maatschappelijk risico en dus de drempelwaarde van 8% overstijgt, komt een verzoek om nadeelcompensatie wel voor behandeling in aanmerking. De berekening van de schade zal in deze gevallen plaatsvinden aan de hand van de algemene regels voor wettelijke verplichtingen tot schadevergoeding (Boek 6, Titel 1, afdeling 10 BW). Dit betekent dat ook aspecten als causaal verband, verrekening van voordeel, eigen schuld en de plicht tot schadebeperking, worden meegewogen.
Bij toekenning van nadeelcompensatie wordt – van oudsher – de aanwezigheid van enig normaal maatschappelijk risico of het normaal ondernemersrisico vervolgens verdisconteerd door middel van een korting in de vorm van een percentage van het schadebedrag. Bij de kortingspercentages gaat het om de vraag in welke mate een eenmaal vastgesteld onevenredig nadeel voor rekening van de getroffene dient te blijven. Dus in die gevallen waarin vaststaat dat sprake is van een onevenredig nadeel, wordt niet alle schade vergoed, omdat een deel daarvan tot het normaal maatschappelijk of het normaal ondernemersrisico wordt gerekend. Het College van B&W heeft gekozen voor een kortingspercentage van 25%. Dit deel van het nadeel blijft zo, vanwege normaal maatschappelijk risico of normaal ondernemersrisico, voor rekening van de benadeelde.
Bijzondere omstandigheden
Op grond van bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de drempelwaarde van 8% en het kortingspercentage van 25%. Het is niet mogelijk om in alle gevallen de daar genoemde percentages te hanteren, gezien het brede toepassingsbereik van deze verordening. Het is lastig om thans een uitspraak te doen over de vraag hoe de genoemde percentages zullen uitpakken en daarom is in de AVN de mogelijkheid opgenomen om deze percentages te kunnen bijstellen.
In bijzondere omstandigheden kan het college er voor kiezen een aanvullende regeling vast te stellen. Dit doet zich voor als te verwachten is dat de ingreep zodanig is dat deze langer gaat duren dan normale infrastructurele werken of onderhoudswerken. Daarbij kan gedacht worden aan grote herinrichtingsplannen of aanleg van ingrijpende verkeers- en vervoersinfrastructuur.

Voetnoten

1.Per 1 januari 2024 is de regeling voor nadeelcompensatie vastgelegd in artikel 4:126 e.v. van de Awb. Tot die datum volgde de regeling uit rechtspraak over het ongeschreven égalitébeginsel (zie hieronder). Voor de toepasselijkheid van de wettelijke regeling wordt gekeken naar de datum van het schadeveroorzakend besluit. Dat ligt hier voor 1 januari 2024. Dit betekent dat het toepasselijk kader in deze zaak wordt bepaald door de rechtspraak.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 11 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2317), onder 9.
3.Dit volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3623), onder 16.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1650).
6.Zoals bijvoorbeeld voornoemde uitspraak van de Afdeling
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:124), onder 30.
8.Uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1969).
9.Bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:941), onder 3.2 en de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:716).
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2023 (ECLI:NL:GHAMS:2023:1254), onder 4.3.
11.Dit volgt uit artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.