ECLI:NL:RBROT:2026:8587

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
11890857 VZ VERZ 25-6203
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 7:677 lid 1 BWArt. 7:681 lid 1 onder a BWArt. 7:671 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet geldig wegens niet-onverwijldheid en toekenning billijke vergoeding

De werknemer was sinds 1 oktober 2024 in dienst als vakkracht/bedrijfsleider en werd op 23 juli 2025 op staande voet ontslagen. De werkgever verwijt haar diverse tekortkomingen, waaronder onbeheerd achterlaten van het café en diefstal, maar de kantonrechter beoordeelt dat het ontslagproces niet voldoende voortvarend is doorlopen. De werkgever heeft te lang gewacht met het instellen van een onderzoek en het onderzoek heeft te lang geduurd, waardoor niet is voldaan aan de eis van onverwijldheid bij ontslag op staande voet.

De kantonrechter stelt vast dat de werknemer recht heeft op een billijke vergoeding van €5.000,- bruto, mede vanwege de impact van het onterecht ontslag in een kleine gemeenschap. Daarnaast wordt een transitievergoeding van €754,33 bruto toegekend, gebaseerd op het loon en de duur van het dienstverband. Ook wordt een gefixeerde schadevergoeding van €3.501,77 bruto toegekend wegens onregelmatige opzegging zonder inachtneming van de opzegtermijn van één maand.

De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoedingen met wettelijke rente, alsmede tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat de werknemer direct aanspraak kan maken op de vergoedingen. Overige verzoeken van de werknemer zijn ingetrokken of afgewezen.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet is niet geldig en de werknemer krijgt een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11890857 VZ VERZ 25-6203
datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kantonrechter
in de zaak van
Wellens & Goedhart Bewindvoering B.V.in haar hoedanigheid van bewindvoerder van
[naam 1],
vestigingsplaats: Zevenbergen,
verzoekster,
gemachtigde: mr. R. Meijers,
tegen
[verweerster],
vestigingsplaats: Oudenhoorn,
verweerster,
gemachtigde: mr. M.C.V. Dornstedt.
Partijen worden hierna ‘de bewindvoerder’, ‘[naam 1]’ en ‘[verweerster]’ genoemd

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • het verzoekschrift van [naam 1], ontvangen op 25 september 2025, met bijlagen;
  • de beschikking van 6 februari 2026;
  • de brief van [verweerster] van 11 juni 2026, met bijlagen;
  • de mail van [verweerster] van 12 juni 2026, met een bijlage;
  • de mail van [verweerster] van 17 juni 2026, met een bijlage;
  • de spreekaantekeningen van [verweerster].
1.2.
Op 18 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig namens de bewindvoerder [naam 2] en [naam 1] met de gemachtigde en namens [verweerster] [naam 3] (bestuurder), met de gemachtigde.

2.De beoordeling

Bewindvoerder
2.1.
Hoewel [naam 1] sinds 13 december 2022 onder bewind staat, is het verzoekschrift niet uit naam van de bewindvoerder ingediend. In de beschikking van 6 februari 2026 is echter vastgesteld dat de bewindvoerder op 23 januari 2026 heeft verklaard in te stemmen met deze procedure en dat zij daarbij als formele procespartij wordt aangemerkt. Daarom is de bewindvoerder genoemd in de kop van dit vonnis.
Waar gaat de zaak over?
2.2.
[naam 1] werkte sinds 1 oktober 2024 bij [verweerster] als vakkracht/bedrijfsleider. Zij is op 23 juli 2025 op staande voet ontslagen. [naam 1] legt zich bij het ontslag neer, maar vraagt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding. [verweerster] verwijt [naam 1] dat zij het café onbeheerd heeft achtergelaten, eten en drinken gratis heeft weggegeven, onbevoegden toegang heeft gegeven tot de kassa, zelf niet voor haar eigen drinken heeft betaald, producten uit de voorraad mee naar huis heeft genomen, het café na sluitingstijd langer open heeft gehouden, tijdens haar werk gehandeld heeft in sigaretten en niet zorgvuldig is omgegaan met de spullen (auto, telefoon en laptop) die door [verweerster] aan haar ter beschikking zijn gesteld. [naam 1] betwist de verwijten grotendeels. De kantonrechter komt daaraan echter niet toe, omdat wordt geoordeeld dat [verweerster] het proces dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet niet voldoende voortvarend heeft aangepakt. [naam 1] krijgt daarom gelijk. Hierna wordt uitgelegd waarom en welke gevolgen daaraan worden verbonden.
Billijke vergoeding
2.3.
[naam 1] heeft recht op een billijke vergoeding (artikel 7:681 lid 1 onder Pro a BW en artikel 7:671 BW Pro). [naam 1] is namelijk niet akkoord gegaan met de opzegging en er is niet voldaan aan alle voorwaarden voor een ontslag op staande voet. Die voorwaarden zijn kort gezegd een dringende reden, onverwijld opzeggen en onverwijld meedelen van de reden (artikel 7:677 lid 1 BW Pro).
Onverwijldheid
2.4.
Geoordeeld wordt dat [verweerster] de arbeidsovereenkomst niet onverwijld heeft opgezegd. Het proces dat heeft geleid tot het ontslag op staande voet is niet voldoende zorgvuldig en voortvarend doorlopen. [verweerster] heeft te lang gewacht met het instellen van een onderzoek naar een mogelijke dringende reden en bovendien heeft dat onderzoek te lang geduurd. Dat is in strijd met de eis van onverwijldheid (HR 14 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1851). Volgens [verweerster] heeft zij voor het eerst eind december 2024 gemerkt dat de kas en de eindafrekening van de kas niet klopte. [naam 1] heeft toen het voordeel van de twijfel gekregen, maar [verweerster] is, zo is toegelicht, daarna hierop wel scherper geweest. In de periode van januari 2025 tot mei 2025 is [naam 1] ook meerdere keren aangesproken. Zo werd er volgens [verweerster] tegen de regels in gerookt in het café en was [naam 1] er met familie en vrienden terwijl het café niet open was. Op 12 mei 2025 heeft [naam 1] nog gewerkt, waarna zij zich op 14 mei 2026 heeft ziekgemeld.
2.5.
Op de dag van de ziekmelding stuurt ([naam 3] van) [verweerster] de volgende mail aan [naam 1]:

Kan jij mij uitleggen waarom jij op maandagavond 12 mei omstreeks 22.30 uur een fles wijn meeneemt uit de garage en de vuilnisbak omtrapt? Is niet zo nette actie.
Ik kan je niet bereiken per telefoon maar wil mijn auto uiterlijk morgen, 15 mei, om 12.00 uur terug hebben en de sleutels van de kroeg. Ik ben om 12.00 uur in de kroeg en wil dit persoonlijk in ontvangst nemen. Ben jij niet op tijd dan doe ik aangifte bij politie van diefstal.
Ik wil niet bedonderd worden, laat dat duidelijk zijn. Deze mail is persoonlijk van mij en heeft niets met de zaak te maken. De auto is een privé bezit waarvan ik in de veronderstelling was jou hiermee te helpen. Maar hierin heb ik mij dus vergist.
Verder kwam er vandaag een man in de kroeg voor een slof sigaretten. Is dit uit te leggen?
In deze mail gaat het om twee redenen (gebruik spullen [verweerster] en sigarettenhandel) die ook aan het ontslag van 23 juli 2025 ten grondslag zijn gelegd. Onduidelijk is gebleven waarom aan, bijvoorbeeld, de verdenking van de handel in sigaretten niet eerder gevolgen zijn verbonden, terwijl dat dus al medio mei vragen opriep.
2.6.
Die onduidelijkheid geldt ook voor de andere redenen in de ontslagbrief. [naam 1] heeft na 12 mei 2026 niet meer gewerkt, zodat vanaf toen ook geen sprake meer kan zijn geweest van nieuwe incidenten. [verweerster] is echter niet eerder dan op 26 of 27 juni 2025 de camerabeelden van de bar in het café gaan bekijken. In brieven van 13 juni en 20 juni 2025 is [naam 1] al aangesproken op het ontbreken van een bedrag uit de kassa en op kasverschillen. [verweerster] heeft niet overtuigend kunnen toelichten waarom ondanks die verdenkingen toch met onderzoek is gewacht tot eind juni. Het kan zijn dat [naam 1] weigerde om in gesprek te gaan, maar dat is eerder een reden om wel tot onderzoek over te gaan dan niet. Het is in ieder geval de eigen verantwoordelijkheid van [verweerster] dat zij pas eind juni besluit een onderzoek te starten door de beelden te gaan bekijken. Niet valt in te zien dat en waarom zij dat niet eerder had kunnen doen. En zelfs als zou worden geoordeeld dat zij op tijd was, dan nog is het ontslag niet onverwijld gegeven. Een onderzoek naar het bestaan van een dringende reden moet namelijk niet alleen zorgvuldig gebeuren, maar ook voortvarend. Daaraan is evenmin voldaan. In de ontslagbrief van 23 juli 2025 staat dat de resultaten van het onderzoek van [verweerster] zeer recent beschikbaar zijn gekomen. Dat zou dan bijna een maand zijn nadat het onderzoek is begonnen. Niet gesteld of gebleken is dat het onderzoek meer is geweest dan het bekijken van camerabeelden. [verweerster] heeft geen omstandigheden aangevoerd die rechtvaardigen dat het onderzoek zo lang heeft geduurd. Als de uitkomsten van het onderzoek wel eerder dan na een maand beschikbaar waren, dan wordt vastgesteld dat [verweerster] niet snel genoeg na het bekend zijn met de dringende reden is overgegaan tot het ontslag.
2.7.
Omdat het ontslag hierdoor al niet geldig is, hoeft niet meer te worden beoordeeld of aan de andere voorwaarden voor een ontslag op staande voet is voldaan. Wel verdient opmerking dat [naam 1] de dringende reden gemotiveerd heeft betwist.
2.8.
De kantonrechter vindt in dit geval een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto passend. Daarbij is gekeken naar de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft gegeven voor het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding ( Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle) en Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2218 (ServiceNow)). Er is rekening gehouden met alle omstandigheden van het geval. Zo woont [naam 1] in het dorp waar ook [verweerster] is gevestigd. Voorstelbaar is dat de impact van het onterecht gegeven ontslag op staande voet in een kleine gemeenschap doorgaans groter en langduriger is. Het is niet onwaarschijnlijk dat de verwijten die [verweerster] [naam 1] maakt haar zullen blijven hinderen. Verder is niet gebleken dat [naam 1] een ziektewetuitkering had nadat zij op staande voet was ontslagen. Dat zij die daarvoor wel kreeg, is geen omstandigheid die meeweegt bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding. Dat [naam 1] inmiddels een nieuwe baan heeft weegt ook niet mee. Het ontslag is bijna een jaar geleden gegeven. Niet duidelijk is sinds wanneer [naam 1] die nieuwe baan zou hebben, anders dan ‘alweer geruime tijd’. Omdat [naam 1] een arbeidsovereenkomst had voor bepaalde tijd tot 1 oktober 2025 en het gelet op de verhouding tussen partijen niet aannemelijk wordt geacht dat die zou zijn verlengd, wordt wel een lagere vergoeding toegekend dan verzocht. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf vier weken na de datum van deze beschikking.
Transitievergoeding
2.9.
[naam 1] heeft recht op een transitievergoeding omdat aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan en het eindigen van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [naam 1] (artikel 7:673 lid 1 en Pro 7 BW). Op basis van het loon (€ 2.577,28 per maand) en de duur van de arbeidsovereenkomst (van 1 oktober 2024 tot 23 juli 2025) is de hoogte van de vergoeding € 754,33 bruto. Dit bedrag moet [verweerster] betalen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a lid 1 BW).
Gefixeerde schadevergoeding
2.10.
[verweerster] moet een vergoeding voor onregelmatige opzegging aan [naam 1] betalen. Zij heeft namelijk de arbeidsovereenkomst per direct opgezegd zonder rekening te houden met een opzegtermijn (artikel 7:672 lid 11 BW Pro). Die vergoeding is – kort gezegd – gelijk aan het loon dat [naam 1] zou hebben gekregen als de werkgever bij de opzegging wel rekening zou hebben gehouden met de opzegtermijn. [naam 1] had weliswaar een contract voor bepaalde tijd van 12 maanden, maar daarin was wel een opzegbeding opgenomen. Daarom geldt een opzegtermijn van één maand. De arbeidsovereenkomst had dus niet eerder dan per 1 september 2025 beëindigd kunnen worden. [naam 1] heeft daarom recht heeft op een vergoeding van € 3.501,77 bruto, omdat [verweerster] de hoogte van dit bedrag niet heeft betwist. Dit bedrag moet [verweerster] betalen. De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding wordt toegewezen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (artikel 7:686a BW).
Overige verzoeken
2.11.
[naam 1] heeft haar overige verzoeken ingetrokken. [verweerster] heeft namelijk de verzochte salarisspecificaties op 16 juni 2026 aan haar gestuurd. [naam 1] heeft die specificaties ontvangen.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.12.
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 837,81 toegewezen. Dit bedrag is gebaseerd op het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [verweerster] heeft niet gesteld dat de werkelijke kosten hoger waren en dat het redelijk was om deze kosten te maken. Verder is aan de voorwaarden voldaan om een vergoeding te krijgen.
De wettelijke rente over de incassokosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking.
Proceskosten
2.13.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster], omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [verweerster] aan [naam 1] moet betalen op € 90,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dit is totaal € 1.099,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als de uitspraak wordt betekend. De wettelijke rente wordt toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.14.
Deze beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard omdat [naam 1] dat heeft gevraagd en [verweerster] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 288 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering). Dat betekent dat de beschikking meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [verweerster] om aan [naam 1] een billijke vergoeding van € 5.000,- bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf vier weken na de datum van deze beschikking tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [verweerster] om aan [naam 1] de transitievergoeding van € 754,33 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf 24 augustus 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.
veroordeelt [verweerster] om aan [naam 1] een gefixeerde schadevergoeding van € 3.501,77 bruto te betalen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 23 juli 2025;
3.4.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten, die aan de kant van [naam 1] tot vandaag worden vastgesteld op € 1.099,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat deze beschikking is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.6.
wijst al het andere af.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. V.F. Milders en in het openbaar uitgesproken.
703